Een kat in de zon – José Eduardo Agualusa

In 2009 verbleef José Eduardo Agualusa een maand in de schrijversflat aan het Spui in Amsterdam van het Nederlands Letterenfonds. Ter afsluiting schreef hij het onderstaande verhaal, dat eerder werd gepubliceerd op de website van het Letterenfonds.

Een kat in de zon

Ik zag hem op de dag van mijn verhuizing naar Spuistraat nummer 303. Hij zat kaarsrecht in de zon in de woonkamer van de flat tegenover. Een kat, die mee bewoog met het dunne draadje licht, als in een traag ballet, snoet omhoog, ogen dicht, met een uitdrukking van onuitsprekelijk genot. Ik was onmiddellijk verkocht. Ik voelde een band met hem, tenminste voor zover je überhaupt een band kunt hebben met een kat. Ook ik deed mijn best om te genieten van het kleine beetje zon af en toe. Zodra de eerste wolk ervoor schoof, trok een klamme treurigheid een drijfnat laken over de straten, grachten en scheefstaande huizen.

De dagen daarna bleef ik hem zien. Ik schreef en de kat, aan de overkant van de straat, rekte zich uit. Ook het baasje van de kat − nog zo’n niet-kloppend woord als het om katten gaat − zag ik regelmatig: een mooie meid met slanke benen, zwemschouders en een wilde bos hennarood haar. In Amsterdam hebben de huizen in het centrum grote ramen, waar meestal geen gordijnen voor hangen, zodat als het licht aan gaat, de buren elkaars intieme leven kunnen delen, als één grote familie. Ik raakte vooral vertrouwd met de benen van mijn buurvrouw en het kant- en borduurwerk van haar lingerie. Hoe ze heette, wist ik niet, maar ik zou haar kunnen herkennen aan haar ondergoed.

Op zekere ochtend zag ik dat ze een plastic zeil op de grond legde, waarop ze een kleine schildersezel zette. De verf deed ze in kleine kommetjes. Daarna ging ze de kat halen. Mijn vriend vond het helemaal niet vreemd. Hij doopte zijn rechtervoorpoot in een van de kommetjes, rook eraan, drukte hem op het linnen en trok een lange rode streep. Vervolgens doopte hij dezelfde poot in een kommetje met blauwe verf en herhaalde het gebaar. Al schilderend werd hij steeds drukker. Hij begon met beide voorpoten te werken, tekende ruwe kromme lijnen. Ik had nog nooit een kat zien schilderen, maar ik kende het fenomeen wel. In 1995 heb ik voor O Público ooit een curieus boek besproken, Waarom katten schilderen − een verhandeling over de esthetica van katten, van Heather Bush en Burton Silver. In dat boek, geïllustreerd met foto’s van een paar van de beroemdste schilderkatten van de wereld in volle actie, bespreken de auteurs het werk van de poezen met dezelfde verwaten ernst als kunstcritici de doeken van een modern abstract schilder.

De kat was dus schilder. Via mijn werkster, een Braziliaanse die al meer dan vijf jaar illegaal in Nederland woont, kwam ik te weten dat de artiest Pluimpje heet en het meisje Marjolijn. Mijn werkster maakte niet schoon bij haar, of bij Pluimpje, het ligt er maar aan hoe je het bekijkt, maar een nicht van haar zette er om de twee weken de plankenvloer in de was.

In de loop van de daaropvolgende weken zag ik Pluimpje verscheidene doeken schilderen. Eentje maakte bijzonder veel indruk op me. Het was donker en astmatisch als de winterlucht van februari buiten, met grove zwarte halen die de horizon beheersten.

Toen ik een paar dagen later door de Bloemstraat kuierde, werd mijn aandacht getrokken door een schilderij in de etalage van een klein galerietje. Ik was stomverbaasd. Geen twijfel mogelijk, dat was dat ene schilderij van Pluimpje dat zoveel indruk op me gemaakt had. Rechtsonder stond de apocriefe handtekening: Marjolijn van Eick. Naast het doek hing de aankondiging van een tentoonstelling van werk van de maakster. Drie dagen later zou die geopend worden.

Drie dagen later ging ik opnieuw naar de galerie. Het was nog vroeg. Een stuk of wat duffe lui liepen rond in de kleine ruimte, dronken witte wijn en deden net alsof de schilderijen hen interesseerden. Marjolijn zat in een hoekje te praten met een journalist. Ze sprak geanimeerd in de microfoon. Ik ging op een meter of vijf van haar af staan en wachtte tot ze haar ogen opsloeg. Het duurde even voor ze me herkende. Ze werd bleek. Hield midden in een zin op. Ik glimlachte, groette haar met een licht knikje en liep weg.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.