O Porto

Door Yves van Kempen

Vergeet je oude schoolkennis, nooit ‘Oporto’ zeggen is me van verschillende  kanten op het hart gedrukt alsof het een besmet woord betreft. En dat is het ook. Het vermaledijde virus huist in de ‘O’ en is overgebracht door vijanden van over de grens, die vervloekte Engelsen, die niet doorhadden dat de O een lidwoord was. Het juiste wachtwoord is kortweg Porto.

Na enige strubbelingen op Schiphol – mijn lang op voorhand geboekte Vuelingvlucht blijkt ineens gecanceld en het soelaas dat de TAP biedt kost een flinke smak geld – en een vlucht van dik twee uur weer terug op aarde, lopen eerst de koffers en daarna het contact met de beheerder van het gehuurde appartement op rolletjes. De studio heeft een uitgesproken New Yorkse look, is modern en efficiënt ingericht, van alle denkbare digitale gemakken voorzien. De stadsplattegrond is bij de eerste kennismaking met de verhuurder alvast een adviserende wegwijzer voor te ondernemen wandelingen door de stad. Vlot omcirkelt zijn balpen diverse interessante monumenten, onderstreept aanbevelingswaardige restaurants, zet een kruis over enkele te bezoeken plantsoenen, markeert de hoofdstraten en voorziet de ligging van het centraal station van een stevig uitroepteken. Een aanrader, beslist bezoeken recommandeert de gastheer.

Eenmaal buiten de deur voor een eerste verkenning blijkt de stad een venijnige kuitenbijter. Geen straat die waterpas ligt. Steil omhoog gaat het naar de kathedraal, robuust als een onneembare veste. Daarna gaat het met afremmende voeten de diepte in naar de messcherp uitgesneden bedding van de Douro, een kloof  die wordt overspannen door de monumentale brug van de Belgische leerling en compagnon van Gustave Eiffel, ingenieur Théophile Seyrig.  Al even indrukwekkend is het kleurrijke operadecor dat zich tegen de stadse oeverwand verheft. Een opklimmende stapeling van huizenrij op huizenrij, balkons met opengeklapte zonneschermen waaronder de wind speelt met het opgehangen wasgoed. Vlaggen wapperen. Op het water dobberen enkele rabelos, inmiddels voor riviertochtjes dienstdoende afgedankte dragers van Portvaten. Rondkijkend vanaf de kade glijden de ogen over een adembenemende iconische plek met wervende toeristische bedrijvigheid. Weer naar boven kan het om de knieschijven te sparen met een funicular die opklimmend een stralend panorama als toegift geeft.

Slenterend door het centrum van Porto dwaal ik, oplettend passant langs betegelde muren met metershoge taferelen in blauw en wit, ook de kleuren van de stadsvlag en het tenue van F.C. Porto. Graffiti avant la lettre, geglazuurde beeldromans zijn het, profaan en religieus, die verhalen over een rijk verleden. Op kerkmuren zetten ze in op het devote, het hogere, het geestelijke, die in het aankomstportaal van het São Bento Station bestrijken het concrete, het dagelijkse, de glorieuze geschiedenis. Je voelt de trots op een stad waarin ooit een koningskroon werd gedragen, waarin de zeelieden al in vroege tijden de handelswegen naar Valencia, Barcelona, Londen en Antwerpen bevoeren en waarin de ontdekking van de wereld een vrijbuitersmentaliteit liet groeien bij haar inwoners. In het rebelse schuilt hun ultieme trots, verzekert me de ober van Solar Moinho de Vento, een restaurant van galante traditie. Zijn woorden zijn me zojuist aanschouwelijk gemaakt toen de stilte van het ritmisch bestekgetik plots omsloeg in een euforisch kabaal. Ineens juichten alle monden, gingen armen gestrekt de lucht in, dansten eettafels, wipte de mij aanbevolen specialiteit arroz costelinhas nog net niet over de rand van mijn bord en zwol een aanvankelijk haperend aangeheven lied aan. Het volkslied veronderstelde ik. Geen sprake van, onze eigen nationale hymne, verduidelijkte de ober met een glimlachen, het clublied van F.C. Porto dat landskampioen was geworden. Beëlzebub Benfica was zojuist verslagen, de duivelse rivaal  uit het gehate Lissabon.

Even later ben ik op de Praça da Liberdade onder het gedempte gelige licht van klassieke lantaarns geamuseerd toeschouwer van een duizendkoppig scanderend en zingend leger vendelaars, een mix van jong en oud, elke vlaggenstok een opgestoken middelvinger naar de gehate hoofdstad. Het is een vrolijk uitzinnige massa die zich feestvierend mengt met de groepen in zwarte capes en capuchon rondtrekkende studenten die al de hele dag door de stad zwierven en in stegen, op straten en pleinen hun sketches en koorliederen opvoerden.

Zoals alle steden met een eigen karakteristiek zit ook Porto gevangen in toeristengidsen met plattegrond, te kijk gezet in draaimolens of neergelegd op de toonbank van souvenirwinkels. Boekwerkjes met een overdaad aan beeldmateriaal en een minimum aan verlangde informatieve tekst wijzen de toerist in superlatieven snel de weg naar de hotspots. Hier naar boekhandel Lello. Niet voor de wereldliteratuur in de kasten tegen de muur maar voor het bloedrode selfie-decor, de dubbele wenteltrap uit de Harry Potter-cyclus. Naar de gevangenis achter de Torre dos Clérigos, waar Camilo Castelo Branco, de keizer van de Romantiek, in twee weken tijd de evergreen Amor de Perdição (‘Noodlottige liefde’) op het papier slingerde. Naar de portkelders van Gaia voor een bezoek aan een proeverij, en naar de Majestic, het oudste etablissement van de stad. Naar de terrassen op de Dourokade, naar een boottocht over de rivier of naar het wiggel-waggel-boemeltrammetje naar de kust voor een zondagse bacalhau-schotel  met fadoklanken op de achtergrond. O ja, en natuurlijk naar de architectuur en de artistieke weelde van diverse kerkgebouwen, ook hier drukker bezocht door ronddolende reizigers dan door vrome gelovigen. Daarvan zal mij dat ene interieur altijd bijblijven, de met tweehonderd kilo goudblad bepleisterde São Francisco.  De protserige aankleding bracht me met een schok terug  naar de  kleine, met niets anders dan een houten brits ingerichte kale nis in Eremo le Celle, de in een spelonk weggedoken hermitage bij het Italiaanse Cortona waar de armoede predikende kluizenaar enige tijd verblijf hield.

Natuurlijk. Voor een snelle oriëntatie kan het geen kwaad om het spoor te kiezen van zo’n wegwijzer waarin het fotomateriaal je opdringerig alvast elke verrassing ontneemt en de bijbehorende informatie niet verder komt dan twitteromvang. Op zoek naar het DNA van een stad verkies ik de avontuurlijke route, het observerend veroveren ervan door te flaneren door hoofdstraten, van straat naar straat te dwalen, te zwerven in een netwerk van stegen en rond te wandelen op pleinen en in parken, te slenteren langs kramen op groente- en rommelmarkten en bezoeken van musea, opengestelde paleizen, concerten en de opera.

Op die manier indrukken verzamelend leer ik Porto kennen als een stad op het snijvlak van twee tijdperken. Men koestert zorgvuldig een rijk verleden in de barokke architectuur van tijdloze gebouwen, in de eenvoud van tavernas waar het goed toeven is tussen de locals, in traditionele koffiehuizen ingericht als spiegelpaleizen, in comestibles-winkels met tot aan de nok gevulde spullen: handgemaakt aardewerk, traditioneel Portugees borduurwerk en tafellinnen, patisserieën vol zoete lekkernijen waarvoor geduldig aansluiten in een meterslange rij loont.

Te midden van het vertrouwde en sfeerrijke oude ontluikt de moderniteit, richten jonge ondernemers hun blik op de toekomst. Dat gevoel begint al meteen in de metro van het vliegveld naar de binnenstad. In mijn onderkomen daar is de analoge wereld al ingeruild voor de digitale. De uitstalling in elektronica-etalages bevestigen die indruk. In modezaken en eetetablissementen pronkt de nieuwe tijd met trendy design in de inrichting.  We zijn op zoek naar nieuwe concepten, begint de bedienende dertiger van restaurant Tasco, gerund door een jeugdig en enthousiast team, bij de menukaart waarop elk gerecht een vlees-viscombinatie is en wordt opgediend als een verzameling tapasschoteltjes zal na de bestelling blijken.

Ver van de kathedraal en de brug over de Douro vandaan staat aan Rotunda Boavista het nieuwste pronkstuk van de stad, het Casa da Música, het concertgebouw van bouwmeester Koolhaas. Van buiten futuristisch in zijn vormgeving, een aan twee kanten afgetopte opstaande dobbelsteen, het inwendige een imponerend trappenhuis, het restaurant groots en statig steriel, de concertzaal van een strenge mathematische schoonheid. Het gebouw moet nog ontdekt en omarmd worden blijkt tijdens mijn rondgang door deze vrijwel verlaten ruimtes.

Bij het inpakken van de koffer voor de terugreis meldt Vueling zich via mijn mobiel met de mededeling dat ik ben geboekt voor een vlucht van Amsterdam naar Porto. Er is een uren durend absurd gevecht met mechanische stemmen voor nodig om die stoel gecanceld te krijgen.

Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.