Amor de perdição – Camilo Castelo Branco

Camilo Castelo Branco (1825-1890). Een begrip. De laatste romantische schrijver van Portugal. Samen met Eça de Queiroz de grootste negentiende-eeuwse auteur. Sterker nog, tot op de dag van vandaag is literatuur minnend Portugal verdeeld in twee kampen. Je bent Camiliaan of Eça-fanaat. Wie van de een houdt, vindt zelden iets aan het werk van de ander. Vast gerecht ook op elk middelbare-schoolmenu, waar zijn werk als behorende tot de canon door menige verveelde scholierenstrot wordt gedouwd, met als nummer één dat ene boek over de liefde aller liefdes, Amor de perdição, Noodlottige Liefde. In twee weken tijd geschreven in de gevangenis, waar hij een straf uitzat wegens overspel.

Twee fragmenten uit dit verhaal van de tot mislukken gedoemde liefde tussen Teresa en Simão. Een draak. Maar toch, het verhaal, hoe larmoyant vaak ook, is met veel vaart en spanning geschreven en verraadt zo de hand van een meesterschrijver. Bovendien stoelde Camilo’s paternalisme ergens op: hij wist ook wel degelijk hoe er bij het ‘gewone volk’ gedacht en gepraat werd. Spreekwoorden, volkse uitdrukkingen, regionalismen, het is hier allemaal terug te vinden. En uiteraard stelt hij de eerlijke eenvoud van de gewone man tegenover het gekonkel en de onmenselijke strengheid van veel hogere kringen. De diepste gevoelens tellen niet bij wie zijn macht en aanzien misbruikt, bij wie louter uit berekening handelt. Misschien is dat wel de reden waarom het boek onmiddellijk aansloeg.

(Door Teresa aan Simão geschreven brief wanneer zij vernomen heeft dat Simão ter dood is veroordeeld)

`Simão, mijn man. Ik weet alles… De dood is bij ons. Ik schrijf je zonder tranen. Mijn doodsstrijd begon zeven maanden geleden. God is goed, Hij heeft mij behoed voor de misdaad. Ik kreeg het bericht van jouw nakende dood, en toen begreep ik waarom ik hier uur na uur stervende ben. Hier ligt ons einde, Simão…! Denk aan onze verwachtingen! Toen jij mij jouw dromen van geluk vertelde en ik jou de mijne…! Wat voor kwaad zouden onze onschuldige wensen God hebben gedaan…?! Waarom verdienen wij niet wat zovele mensen hebben…? Zou zo alles ten einde gaan, Simão? Ik kan het niet geloven! De eeuwigheid lijkt mij thans zo donker, want de hoop was het licht dat mij van jou naar het geloof leidde. Maar ons lot kan zo niet eindigen. Probeer de laatste draad van je leven vast te knopen aan hoop, wat voor hoop dan ook. Zullen wij elkaar in een andere wereld weerzien, Simão? Zal God mij toestaan jou te aanschouwen? Ik bid, smeek, maar versaag in mijn geloof wanneer mij de laatste kwellingen van jouw lijdensweg bereiken. De mijne zijn zacht, ik voel ze nauwelijks. Sterven moet niet moeilijk zijn voor wie een rustig hart heeft. Het ergste is het verlangen, het terugverlangen naar de verwachtingen die jij in mijn hart vond, dat jouw verwachtingen vermoedde. Het is niet erg als er niets is na dit leven. Sterven is ten minste vergeten. Als je nu zou kunnen leven, wat zou dat voor zin hebben? Ook ik ben veroordeeld, onherroepelijk. Volg mij, Simão! Koester geen verlangen meer naar het leven, nee, ook al zegt je verstand je dat je gelukkig had kunnen zijn, als je mij niet had ontmoet op de weg waarlangs ik jou naar de dood heb geleid… En wat voor dood, mijn God…! Aanvaard die! Heb geen spijt. Als er een misdaad is gepleegd, dan zal Gods gerechtigheid je vergeven vanwege de angst die je doorstaat in de kerker… en in je laatste dagen, en in de aanwezigheid van de…’

(waarop Simão antwoordt met de volgende brief:)

`Vlucht nog niet van mij weg, Teresa. Ik heb de galg niet meer voor ogen, noch de dood. Mijn vader beschermt mij, en er is redding mogelijk. Verbind de laatste draden van je leven met je hart. Zet je doodsstrijd voort, terwijl ik je zeg wat ik hoop. Morgen ga ik naar de gevangenis van Porto, en daar zal ik wachten op vrijspraak of wijziging van het vonnis. Het leven is alles. Ik kan je beminnen in ballingschap. Overal is er hemel, zijn er bloemen, is God. Als je blijft leven, zul je ooit vrijkomen, maar de steen van het graf gaat nooit omhoog. Leef, Teresa, leef! Enkele dagen geleden dacht ik dat jouw tranen de bloedvlekken van de gewurgde van mijn gezicht zouden wissen. Die wrede nachtmerrie is verdwenen. Thans kan ik ademen in deze hel; het wurgkoord van de beul drukt mijn keel niet langer dicht in mijn dromen. Ik richt mijn ogen reeds naar de hemel, en herken het geluk der ongelukkigen. Gisteren zag ik onze sterren, die van onze geheimen in de nachten der afwezigheid. Ik ben teruggekeerd naar het leven, en mijn hart is vervuld van hoop. Sterf niet, dochter van mijn ziel!’

Inleiding en vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.