De indringer – Marçal Aquino

Om in het leven te bereiken wat je wilt, maak je uiteindelijk altijd meer vijanden dan vrienden – luidt het motto van De indringer. In het begin van de roman zijn het vrienden, de twee bouwkundig ingenieurs Ivan en Alaor. Samen met een derde vriend en oud-medestudent, Estevão, runnen ze een bouwbedrijf in São Paulo. Omdat die laatste het meeste kapitaal heeft ingebracht en plannen van de twee om via steekpenningen overheidsopdrachten in de wacht te slepen, dreigt te dwarsbomen, besluiten ze hem te vermoorden, wat in Brazilië betekent dat je een huurmoordenaar zoekt. Ze vinden die in de persoon van Anísio, een killer uit de favela. Deze vermoordt niet alleen Estevão, maar ook diens vrouw, zodat hun achttienjarige dochter Marina feitelijk de baas van het bouwbedrijf wordt.

Tot hun ontsteltenis laat Anísio het niet bij het uitvoeren van de opdracht, maar komt hij opdagen in het bedrijf. Vanaf dat moment raken ze hem niet meer kwijt, zeker niet als hij zich ‘ontfermt’ over Marina, die hem interessant vindt vanwege de drugs en het avontuurlijke favela-leven. Het bedrijf interesseert haar niet en ze benoemt de moordenaar van haar ouders tot haar vertegenwoordiger, die zich steeds meer met de zaak bemoeit.

Intussen wordt Ivan gekweld door wroeging. Hij wil zich losmaken, vluchten voor wat hij niet meer ongedaan kan maken. Letterlijk vluchten, samen met een studente die hij leert kennen in een bar en met wie hij gelukkige dagen beleeft (zijn huwelijk is al jaren eerder verworden tot een zielloze relatie die uitsluitend uit een soort luiheid van weerskanten niet officieel beëindigd is). Wanneer hij echter ontdekt dat zij voor haar ‘liefde’ betaald wordt door Aldaor, raakt hij helemaal in paniek en besluit hij zichzelf aan te geven bij de inspecteur die ook het onderzoek naar de moord op Estevão heeft geleid. Het wordt zijn ondergang, want deze werkt samen met Aldaor en Anísio.

Een simpel verhaal. Man pleegt moord, krijgt spijt, maar wordt door de gebeurtenissen meegezogen en er is geen weg terug. Het bijzondere van deze korte roman is dat hij in al die eenvoud het mechanisme blootlegt dat de Braziliaanse samenleving zozeer in de ban van het geweld houdt. Het zijn niet alleen de drugshandelaren die in hun gevecht om territoria rücksichtslos moorden, zoals Cidade de Deus van Paulo Lins laat zien, het gaat om de banden die er bestaan tussen de formele en de informele wereld, tussen witte, grijze en zwarte circuits. Zoals de bourgeoisie drugs koopt en daardoor een groot deel van de vraag en dus de markt in stand houdt, zo bedient zij zich ook indien nodig van de immoraliteit van politie en huurmoordenaars om de eigen handen niet vuil te maken aan het bloed van concurrenten of lastposten. Waardoor de cirkel vicieus blijft.

Marçal Aquino, in 1958 geboren in de deelstaat São Paulo, hanteert een sobere verteltrant van korte zinnen en afgebeten dialogen die een stuwende kracht aan de roman geven. Hier verraadt zich zowel de journalist als de scenarioschrijver die weet hoe hij scènes moet opbouwen en personages moet neerzetten. Het boek is, net als Cidade de Deus, ook verfilmd, door Beto Brant, en met veel succes. Als film won O Invasor een aantal prijzen. Die fantastische film heb ik gezien voor ik de roman las en ik hield dan ook enigszins mijn hart vast toen ik aan het boek begon. Gelukkig was dat ongegrond, want het boek kan zich volledig meten met de film. Het voornaamste verschil tussen de twee is het perspectief: in de film wordt het verhaal verteld door de verschillende personen afwissend te volgen, wat vaart en beeldenrijkdom oplevert, en in het boek is het Ivan die de lezer vertelt wat er met zijn leven gebeurt, wat onvermijdelijk een beperking inhoudt, maar tegelijk een verrijking betekent op psychologisch vlak, omdat de waanzin waardoor de hoofdpersoon geleidelijk bevangen wordt, beter uit de doeken kan worden gedaan. Overigens zonder in gepsychologiseer te vervallen. Het blijft hard-boiled. Hieronder het openingsfragment.

“Zelfs met alle aanwijzingen van Anísio duurde het lang voor we het café hadden gevonden, in een donkere, smalle straat van de Zona Leste. Een angstaanjagende plek.

Ik parkeerde de auto vlak bij wat een leegstaande fabriek leek, een enorme grijze loods met ondergekladde muren en kapotte ruiten. Alaor zat nog altijd roerloos naast me met de aktentas op schoot. Onderweg hadden we nauwelijks een woord gewisseld.

We bleven een poosje zitten kijken naar het gelige licht dat uit de deur van het café viel.

Kom op, zei ik, terwijl ik de sleutel uit het contact haalde en het portier opende.

Alaor stapte traag uit. Hij had voorgesteld dat Anísio naar ons toe kwam in het bouwbedrijf, maar daar was ik tegen geweest. Vond ik veel te riskant: ik wilde niet dat we samen met hem gezien werden. En dus waren we nu daar, op een plek die het nooit tot ansichtkaart zou schoppen.

Ik deed de auto op slot, zette het alarm aan en we staken de straat over naar het café. Het groen met wit beschilderde asfalt had iets weemoedigs, een verbleekte herinnering aan de dagen van het WK. Het was drukkend en ondanks de afstand kon je het zware verkeer op de Ring Oost goed horen.

We werden kort en snel gekeurd door twee kerels die leunend op de bar bier dronken en kletsten met een oude man, waarschijnlijk de kroegbaas. De vier man die aan het biljarten waren keken ook even naar ons en gingen toen door met praten. De radio op de bar speelde piepend en krakend oude nummers.

Anísio zat aan een tafeltje met formica blad in een hoek bij de plee, hij zwaaide naar ons en wees naar de stoelen.

‘Wie is wie?’ vroeg hij, terwijl hij mij een hand gaf.

‘Ik ben Ivan en dat is Alaor,’ zei ik.

Alaor ging zitten en zette de tas op de grond, onder het tafeltje. We zaten met onze rug naar de deur en dat beviel me niet. Ik wil altijd graag zien wat er om me heen gebeurt in cafés, en al helemaal in zo eentje.

De ouwe kwam naar ons tafeltje en vroeg wat we wilden drinken. Ik bestelde een biertje en toen Alaor zei dat hij water wilde, lachten Anísio en de ouwe.

‘Heb ik niet,’ zei de ouwe. ‘Alleen uit de kraan.’

Een beetje sullig wees Alaor naar het glas met een donker goedje dat voor Anísio stond en vroeg wat dat was.

‘Een cocktail,’ legde de ouwe uit. ‘Of traçada, zoals wij hier zeggen. Cachaça met Cinzano.’

Inleiding en vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.