António Vieira – Hollanders en indianen, een jezuïet in Brazilië

Door Harrie Lemmens

Onlangs verscheen bij Uitgeverij Koppernik een door mij samengestelde en vertaalde bundel teksten van de zeventiende-eeuwse Portugese jezuïet António Vieira, de keizer van de Portugese taal, zoals Fernando Pessoa hem noemde. Hij was priester, diplomaat, filosoof, theoloog, ziener en historicus. Adviseur van de koning van Portugal. Gerenommeerd prediker en gewild biechtvader. Verdediger van de joden, bestrijder van de Inquisitie, lansbreker voor de indianen.

De tweede helft van het boek gaat over zijn werk als missionaris in het Amazonegebied en zijn conflicten met de Portugese kolonisten, die de indianen wilden inzetten als slaven.

Omdat ze het belang van de taal inzagen, bestudeerden de jezuïeten de inlandse talen. Dat was nuttig voor hun bekeringswerk, maar ze verzamelden tevens een schat aan kennis op lexicaal en grammaticaal vlak. Onder andere op basis van die kennis ontstond er een mengtaal met het Portugees, de zogenaamde língua geral, die in de praktijk al dienstdeed als voertaal en als het aan de jezuïeten had gelegen de officiële taal zou zijn geworden op het nieuwe continent. Daar stak het Hof in Lissabon een stokje voor.

De Braziliaanse Funai (nationale stichting voor de indianen) beijvert zich in samenwerking met universiteiten onder andere voor het behoud van de taal (talen). De Nederlandse linguïst Leo Wetzels heeft in dat kader belangrijk werk verricht. Drie jaar geleden vertelde hij Mieke Zijlmans van de Volkskrant over het hoe en wat van een van zijn projecten. Dat interview begint zo:

“De Nederlander die Indianen hun verloren taal leert

Als de Braziliaanse Tapeba-indianen aanspraak willen maken op hun land, moeten ze bewijzen dat ze daar hun cultuur in stand houden. Daar hoort een moedertaal bij, maar die spreekt niemand meer. Zo kwamen ze terecht bij een Nederlandse taalkundige.

In krakkemikkige houten huisjes waartussen kinderen spelen en vieze varkens, kippen en magere honden rondscharrelen, wonen de Tapeba van Caucaiá. Een Braziliaans indianenvolk dat zo’n zevenduizend zielen telt. Hedendaagse indianen in T-shirt en korte broek. 

Indianentooien en -beschilderingen komen alleen tevoorschijn tijdens traditionele rituelen. 

Arme sloebers zijn het: de vrouwen kweken gekleurde bonen, de mannen verbouwen groente, ze vissen, vangen krabben en jagen op klein wild. Ze wonen ten noorden van de havenstad Fortaleza, op een grondgebied dat een kleine 60 vierkante kilometer beslaat. 

Deze Tapeba hebben een droom: ze willen hun oorspronkelijke moedertaal leren. Ze spreken nu alleen nog Braziliaans-Portugees. De taal van hun voorouders is al zeker tweehonderd jaar geleden uitgestorven. Maar ze hebben die taal weer nodig: als onderdeel van een eigen identiteit, waarmee ze aanspraak kunnen maken op landrechten in Brazilië. (…)”

Het vervolg vindt u hier.

Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.