Kinderjaren – Michel Laub

Michel Laub wordt in 1973 geboren in Porto Alegre, waar hij opgroeit en rechten studeert. Hij schrijft en publiceert vanaf zijn studententijd. In de jaren negentig verhuist hij naar São Paulo, waar hij nog steeds woont en op freelance basis werkt voor diverse media en uitgeverijen. Bovendien geeft hij workshops creative writing. Hij schreef zeven romans, waarvan Diário da Queda in 2013 in het Nederlands verscheen als Overal en altijd weer, een paar weken geleden gevolgd door Het donderdagtribunaal, beide bij Ambo|Anthos. Onderstaand fragment komt uit het tijdschrift Granta, winter 2012, gewijd aan de beste jonge Braziliaanse schrijvers.

1. Toen ik elf was, werd mijn hond Champion in Porto Alegre doodgebeten door de dobermann van de buren.

2. Die buurman, een Koreaan, was directeur van een koekjesfabriek, en waar hij woonde met zijn gezin staat nu een flatgebouw. Waar wij woonden ook, en in de rest van de buurt, toentertijd vol veldjes en steile straten, die zich uitstekend leenden om te skateboarden.

3. Champion werd meestal uitgelaten door het dienstmeisje. De dag van zijn dood stond hij te snuffelen aan een struik en toen ze even niet oplette, trok hij zich los en stak zijn snuit tussen de spijlen van het hek van de Koreaan. Dat meisje is nog een of twee jaar bij ons blijven werken, daarna heb ik haar nooit meer gezien en vanaf mijn elfde heb ik nooit meer een hond gehad. Wel een hamster, een eend, een kat en nog een kat.

(…)

21. De dobermann had de halve snuit van Champion afgerukt en het dienstmeisje zag de hond hangen met zijn kaakbeen bloot. De eerste hulp aan een dier verloopt hetzelfde als bij een mens, je legt hem neer, zorgt ervoor dat hij kan ademen en houdt de wond dichtgedrukt. Champion was kalm toen hij in een bebloede handdoek in de auto werd gelegd en naar de dierenarts gebracht, die zijn hartslag en temperatuur mat, naar de kleur van zijn tandvlees keek en tegen mijn vader zei dat het hopeloos was en dat ze hem beter een spuitje konden geven.

22. Toen mijn vader thuiskwam, ging hij naar de Koreaan. Niemand van ons was ooit in dat huis geweest. De woonkamer was groot en in de achtertuin hadden ze een zwembad en een basket. De Koreaan wist al wat er gebeurd was en zei tegen mijn vader dat het de schuld van het dienstmeisje was. Dat had zijn riem losgelaten. Waarom had ze hem zo dicht bij het hek laten komen, waarom hebben jullie niet beter op hem gelet, en op zekere dag hoorde ik achter de deur mijn vader het hele verhaal vertellen aan de telefoon, met alle details, voor, tijdens en na de aanval van de dobermann, en toen zei hij shit, wat een kutzooi. Dat is de enige keer dat ik zijn stem heb horen trillen. Op het laatst fluisterde hij bijna nog maar. Later heeft hij er nooit meer iets over gezegd, en van Champion kan ik me alleen nog maar flarden herinneren, zijn etensbak, de plastic slang waar hij de hele dag op knaagde, zijn donkere vacht als hij in bad was geweest, de avond met vuurwerk waarop mijn vader en ik de hele tijd bij hem bleven tot het geknal over was.

23. Een hond kan op allerlei manieren doodgaan. Hij kan dol worden, de hondenziekte of parvovirose, hepatitis of kanker krijgen. Een schotwond oplopen of een giftige plant eten. Maar je kunt ook op een regenachtige dag, als er niemand thuis is, in de garage een fles in een krant pakken en er net zo lang op trappen tot de scherven heel klein zijn. Sommige haast onzichtbaar. Dan pak je een stel van die splinters en steekt ze een voor een in een stuk rauw vlees. Daarna loop je door de kamer naar de achterdeur en de hele tuin door tot bij de afrastering van de buren, zo dicht als je kunt met de struiken die er staan, en gooit het hapje dat voor iedere hond een lekkernij is eroverheen.

 

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.