Kruiswoordraadsel – Guiomar de Grammont

Eind jaren zestig was er in het Braziliaanse Amazonegebied, langs de oevers van de rivier de Araguia, een verzetsbeweging actief: Guerrilha do Araguia. Het was een op communistische leest geschoeide beweging die, geheel volgens Chinees en Cubaans model, vanaf het platteland een socialistische revolutie wilde ontketenen. Deze revolutie werd echter bloedig neergeslagen door de Braziliaanse militaire junta en de meeste guerrilheiros werden vermoord. De roman Palavras cruzadas (“Kruiswoordraadsel”) van Guiomar de Grammont is gebaseerd op de dagboeken van twee leden van deze verzetsbeweging.

In 1971 sluit de jonge student Leonardo zich aan bij de Guerrilha do Araguaia. Hij keert echter nooit meer terug. 25 jaar later gaat Leonardo’s jongere zus Sofia op zoek naar hem. Uitgangspunt van haar zoektocht is een mysterieus dagboek van twee guerrillastrijders die hun dagelijkse strijd om te overleven in een geheim kamp midden in de jungle beschrijven. Pas veel later komt Sofia te weten dat de auteurs haar broer en zijn vriendin Mariana zijn. Wanneer Mariana zwanger wordt, moet ze het geheime kamp verlaten. Haar spoor loopt dood in São Paulo. Het spoor van Leonardo houdt op in de jungle zelf. Sofia probeert te achterhalen wat er met Leonardo en Mariana is gebeurd. Net als in een kruiswoordraadsel hangen de verhalen van de verschillende personages samen en vormen zij tezamen een beeld van hoe het leven van de verdwenen dochters en zonen, de desaparecidos van de verzetsbeweging, eruit gezien zou kunnen hebben. Deze pijnlijke episode in de Braziliaanse geschiedenis wordt op een aangrijpende manier beschreven vanuit Sofia’s oogpunt. Hieronder volgt een fragment.

Guiomar de Grammont is hoogleraar aan de Federale Universiteit van Ouro Preto. Ze promoveerde in de Braziliaanse literatuur aan de Universiteit van São Paulo en publiceerde onder meer de roman Fuga em espelhos en het korte verhaal O fruto do vosso ventre, waarvoor ze in 1993 de Casa de Las Américas Award ontving. Daarnaast heeft ze het Forum of Literature in Ouro Preto opgericht, dat ze sinds 2005 leidt. Haar romans Fuga em Espelhos en Palavras Cruzadas zijn vertaald in het Frans.

“Het lijkt wel een droom, waar eens een pad liep, groeien nu struiken. De wonden zijn littekens geworden, die geleidelijk aan zullen vervagen. Net als de namen, die geleidelijk aan zullen worden vergeten, samen met de dingen waar we liever niet aan terugdenken. Toen ik terugkwam in het kamp, liep ik meteen naar de plek waar we dingen verstopten, in een grote holle boom die half in de rivier omver lag. Hij was er nog, die boom met zijn ruwe bast. Bomen huilen en gaan dood, maar hun lichamen blijven bestaan. De plek was leeg. Met de lijken waren ook de wapens verdwenen. Ik trof alleen de planken aan die we gebruikten om ervoor te zorgen dat onze spullen niet nat zouden worden en verloren zouden gaan. Ons huis lag in as, geen levend wezen te bekennen, zelfs geen ongedierte, alle afvalresten die de soldaten hadden achtergelaten waren opgevreten. Ik dronk water uit een achtergebleven veldfles, het smaakte alsof het uit een diepe put kwam, maar het was in ieder geval water. Ik maakte er de wonden van mijn lichaam mee nat. In een gat in de grond naast de muur van het huis vond ik in een houten kistje dit schrift, waarin jij alles opschreef. Het was vies en er waren een paar bladzijden uitgescheurd. Er zat bloed op het kaft. Het bloed was opgedroogd en het kaft was beschadigd, maar het was er nog. De soldaten hadden het niet ontdekt. De laatste, met hanenpoten geschreven zinnen waren besmeurd met aarde en bloed. Toen moest ik huilen, voor het eerst na al die tijd in het bos. Ik proefde het zout van mijn tranen, die brandden op mijn gezicht.
Ik ga je alles vertellen wat ik meegemaakt heb sinds jouw vertrek, want stel dat ik het niet overleef en jij hier terugkomt op een dag, dan vind je misschien dit schrift wel terug op de plek waar je het hebt achtergelaten.”
Toen Sofia dit las, voelde ze zich de persoon tot wie de schrijver zich richtte.
“Ruim een week nadat we ons in het bos hadden verstopt, viel een legerpatrouille ons huis binnen. Zo’n 30 soldaten. Vanuit de verte, vanuit een hoge boom, hielden we ze in de gaten. Ze staken de twee huizen die we gebouwd hadden in brand, evenals de opslagplaatsen voor rijst en mais, en hakten al onze fruitbomen om. Ze losten schoten in de richting van het bos zonder zich in het bos te wagen, alsof ze ons zo konden raken, met van die lukraak afgevuurde kogels. Na een paar dagen verschenen er helikopters boven het terrein. Ze scheerden laag over de oevers van de rivier en schoten met mitrailleurs. We sloegen op de vlucht en bleven een tijdje bijeen, verstopt in het bos, we waren met zijn zestienen, liefste, er hadden zich nog een paar mannen van een ander onderdeel bij ons gevoegd. Het was lastig om zoveel monden te voeden. Bovendien moesten we heel goed oppassen om door de rook en het vuur niet te worden ontdekt door de helikopters. We moesten een flink eind lopen om water te halen en op onze hoede zijn omdat de grotten in het zicht lagen.
De soldaten hadden alle dienders in de regio gemobiliseerd en de klopjacht begon. Het leek alsof ze overal waren, met hun helikopters, boten en aanvalsvliegtuigen. Het was een buitengewoon ongelijke strijd, zoveel was duidelijk. Het leger liet vanuit een vliegtuig duizenden papiertjes rondstrooien waarop stond dat we ons moesten overgeven omdat we hoe dan ook zouden worden verslagen. Ze hadden alle steden in de omgeving in handen. We hadden allemaal last van malaria en diarree, als gevolg van de onvermijdelijk slechte hygiënische omstandigheden in ons schuiloord. Kamperen op de oevers van de rivier zou immers gevaarlijk zijn. Na een paar weken begon onze moed te zakken.
Ik ging jagen met een kameraad. We verschuilden ons achter een boom vlakbij de rivier, tegen de wind in, zoals de caboclos ons hebben geleerd, weet je nog, om te voorkomen dat de dieren ons zouden ruiken. Na een tijdje verscheen een stel capibara’s, die aan de planten langs de oever begonnen te knabbelen. We mikten zorgvuldig en schoten, maar kregen niet de kans onze buit te gaan halen. We waren nog niet opgestaan of mijn kameraad werd aangevallen. Ik kon niet zien wat er met hem aan de hand was, ik ben als een gek gaan rennen, zo snel als ik kon, in de tegenovergestelde richting van ons kamp, waar de anderen waren. Ik dacht aan niets anders dan aan de soldaten die ik moest zien te ontvluchten. Toen het donker werd en ik uitgeput neerviel, begreep ik dat ik ze inderdaad had afgeschud, maar dat ik een nog veel groter probleem had: ik had geen flauw idee waar ik was. Ik was alleen in het donker.”

Vertaling: Marilyn Suy
Foto: Ana Carvalho
Portretfoto auteur: Nenno Vianna

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.