Een glas woede – Raduan Nassar | Recensie

Door Liliane Waanders

Een gat in de heg met grote gevolgen

Ooit vroeg ik Jan Siebelink of hij wist wat hij gemeen had met Annie M.G. Schmidt. Een lange stilte was het antwoord. Zijn in de zaal verzamelde lezers schoten hem te hulp, maar geen van hen kwam op het voor mij voor de hand liggende antwoord: beiden voegden een gat in een heg toe aan de Nederlandse literatuur. Dankzij het ene gat werden Jip en Janneke dikke vrienden, dankzij het andere verschaften sektarische geloofsgenoten zich in Knielen op een bed violen toegang tot de kwekerij van Hans Sievez.

In Een glas woede van Raduan Nassar stuitte ik op nog een literair gat in een heg. Het door bladsnijmieren geknaagde gat zorgt ervoor dat de naamloze mannelijke hoofdpersoon in woede uitbarst en vervolgens enorm tekeer gaat tegen het eveneens naamloze vrouwelijke personage waarmee hij even daarvoor nog seks had. Zij moet het ontgelden, maar het personeel – een vrouw die verantwoordelijk is voor het huishouden en een man die de bladsnijmieren had moeten bestrijden: zij kregen van Raduan Nassar wel een naam – en ook de mieren blijven niet buiten schot.

De mannelijke hoofdpersoon – hij is degene die het verhaal vertelt; alleen in het laatste hoofdstuk verandert het perspectief – raast en tiert. Het is alsof al zijn opgekropte frustraties over ongelijke verhoudingen (man versus vrouw; handenarbeid versus denkwerk; platteland versus stad) en de daarmee gepaard gaande gevoelens van minderwaardigheid zich een weg naar buiten banen.
Vierenveertig pagina’s duurt het verbale vuurwerk, het verwijtende razen en tieren, het minachten en bespotten. Vierenveertig pagina’s laat Raduan Nassar ze verwijten naar elkaars hoofd slingeren zonder dat hij een punt zet.

Zij kan in eerste instantie niet anders dan reageren op de slagen die hij uitdeelt, maar ze herstelt zich snel. Ze kent zijn zwakke plekken en weet hem hard te raken. In bed heet ze volgzaam te zijn – de verteller heeft in de eerste, ook al broeierige, hoofdstukken laten doorschemeren dat hij in bed de bovenliggende partij en de vrouw geniet zijn dominantie – maar tijdens de ruzie gaat ze de strijd vol aan.

Het gaat er hard en meedogenloos aan toe, maar de vraag is waar de lezer getuige van is. Is de woede van begin tot eind echt en is het een agressief gevecht op het scherpst van de snede tussen twee ego’s? Is hij getuige van een relatie die bol staat van (verbaal) SM en fetisjisme, en is wat er gebeurt daarmee grotendeels spel? Is hij wel ergens getuige van of is er in hoge mate sprake van virtual reality, omdat de man – die aan het eind van zijn uitbarsting eenzelfde lot beschoren lijkt als de vader in Bijbelse landbouw, de roman die Raduan Nassar drie jaar voordat hij aan de eerste versie van een Een glas woede begon schreef –  aan het hallucineren slaat?  

Een glas woede eindigt met een hoofdstuk dat dezelfde titel draagt als het openingshoofdstuk: De aankomst. Daarmee lijkt de cirkel rond: De aankomst In bed Het opstaan De douche Het ontbijt De uitbarstingDe aankomst. Maar zoals gezegd: in het laatste hoofdstuk is het niet langer de man die aan het woord is. Dan is zij het die de boerderij waar haar minnaar woont nadert en hem daar in bed aantreft. In het eerste hoofdstuk was zij er al toen hij thuiskwam.
Is dat zevende hoofdstuk het begin van hetzelfde verhaal, maar dan zoals het zich heeft afgespeeld volgens een andere, misschien wel even (on)betrouwbare, verteller of gaat het verhaal door en komt zij ondanks alles wat er gebeurd is terug?

Een glas woede is minder eenduidig dan de op zich eenvoudige intrige doet vermoeden. Wat wel  onherroepelijk vaststaat is dat Raduan Nassar een geladen novelle heeft geschreven, waarin hij nog meer dan in Bijbelse landbouw de taal zijn wil oplegt. De zeven hoofdstukken variëren in lengte van twee tot 44 bladzijden. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze allemaal uit maar één zin bestaan. In zeven zinnen laat Nassar zien hoe weinig er nodig is om de boel te laten escaleren.
Er zit venijn in die zinnen, maar uit wat hij zijn personages laat zeggen, blijkt ze allebei over meer intellectuele bagage en innerlijke beschaving beschikken dan uit de strijd waartoe ze elkaar verleiden blijkt.  

Maar de ‘godverdomde kutmieren’ die zich een weg door een heg baanden en daarmee de woede van de man opwekken –

(…) ik stond stokstijf de schade op te nemen, laaiend vanwege dat gat, en ik dacht bij mijzelf dat liguster niet zo lekker zou mogen zijn, zo veel werk alleen maar om de bladsnijmieren ermee aan de haal te laten gaan, en als een wervelwind stoof ik het terrein ernaast op, speurend naar het spoor dat me naar de mierenhoop zou leiden, en ik volgde de door het hoge gras gecamoufleerde straat, ik zou ze op dat tijdstip  in hun hol verrassen, de hele nacht waren ze druk geweest met het wegvreten en afvoeren, en trillen en schuimbekkend ontdek ik ze meteen, en met een emmer die ik al heb gepakt gooi ik een dubbele dosis vergif in elke opening met een wraaklust zoals ik alleen zelf ken, want ik alleen weet wat ik voel, laaiend op die ordentelijke mieren, laaiend op hun voorbeeldige efficiëntie, laaiend op die kutorganisatie die zich niets aantrok van alle gevloek en mijn ligusterhaag opvrat, daarom zorgde ik ervoor dat ze stomdronken werden, vulde ik hun onderaardse kamers met een flinke scheut mierenvergif, zodat er geen sprankje leven meer overbleef, en met mijn hiel trapte ik elke opening dicht, en ik was al op de terugweg van dat braakliggende veldje, mijn ogen spuwden nog vuur, toen ik zag dat zij op dat moment met dona Mariana stond te kletsen op de stoep van het huis en het gazon, met haar kontje tegen het spatbord van haar auto aan, door het daglicht kreeg ze snel de zelfverzekerdheid van een geëmancipeerd wijfje terug, in haar geraffineerde simpele jurk stond ze daar, met haar tas over haar schouder tot op de heup en een sigaret tussen haar vingers, stond ze daar democratisch te kwebbelen met iemand uit het gewone volk, waar ze zich trouwens het liefst op beroemde, uitgerekend zij, die nooit een poot uitstak in huis, zich altijd liet bedienen, in bed door mij en op het terras door de huishoudster, en als dona Mariana er niet was moest ik het ontbijt maken (…)

omdat ze (maar zij niet alleen) zijn gezag ondermijnen en zijn autoriteit aantasten, zorgen voor een ontluisterend demasqué.

Een glas woede (Um copo de cólera)
Raduan Nassar
Vertaald door Harrie Lemmens

Prometheus, 2017
96 blz.
ISBN 978-90-446-3432-7

Deze boekbespreking verscheen op 28 mei 2018 ook in Hanta, multimediaal online literair magazine.

Een fragment lezen uit dit boek? Klik hier.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*