Kinderjaren – Fernando Pessoa

Ook Fernando Pessoa was ooit een kind. Althans, hij deed alsof, achter een masker. Soms van een dichter, soms van zichzelf en soms van Bernardo Soares, hulpboekhouder met grootse literaire ambities die hij uitsluitend in zijn dromen verwezenlijkt. Wat hij schrijft verlaat pas na de dood van zijn geestelijk vader de huurkamer waar hij woont: in 1982 verschijnt de eerste versie van het Boek der rusteloosheid, waarin fragmenten uit de beroemde arca, de kist met nagelaten werk, worden gebundeld. Mijmerend en filosoferend wandelt Bernardo Soares door de Baixa, de benedenstad of het door de Marquês de Pombal na de desastreuze tsunami van 1755 ontworpen strakke centrum van Lissabon. Regelmatig gaan zijn gedachten uit naar zijn vroege jeugd, die wellicht nooit heeft bestaan maar levendiger wordt geschilderd dan menige werkelijke terugblik. Getuige dit fragment.

Toen ik in Lissabon kwam wonen, was op de verdieping boven de onze het geluid te horen van een piano waarop toonladders werden gespeeld, het monotone oefenen van een meisje dat ik nooit heb gezien. Vandaag merk ik dat ik, wanneer de deur naar de kelders van mijn ziel wordt opengezet, dankzij infiltratieprocessen die ik niet ken, nog steeds de op de toetsen gehamerde toonladders van het meisje hoor, dat nu een volwassen vrouw is, of ergens dood en begraven op een witte plek tussen donkergroene cipressen ligt.

Ik ben niet meer het kind dat ik toen was, maar het geluid is in mijn herinnering exact hetzelfde als toen en heeft, wanneer het in zijn eeuwige aanwezigheid opklinkt vanaf de plaats waar het doet of het slaapt, dezelfde trage aanslag, hetzelfde monotone ritme. Wanneer ik het hoor of erover nadenk, word ik overvallen door een vage, beklemmende triestheid die typisch is voor mij.

Ik betreur niet het verlies van mijn kinderjaren; ik betreur dat alles, en dus ook mijn jeugd, teloorgaat. Het is het abstracte verstrijken van de tijd, niet het concrete verstrijken van de tijd die de mijne is, wat fysiek pijn doet in mijn hersenen door de voortdurende, onwillekeurige herhaling van de toonladders op de piano van boven, verschrikkelijk anoniem en ver weg. Het is het mysterie dat niets eeuwig duurt wat op de bodem van mijn herinnering onophoudelijk iets hamert wat geen muziek is, maar heimwee.

Ongemerkt doemt het kamertje voor me op dat ik nooit heb gezien en waar de leerlinge, die ik nooit heb gekend, nog steeds voorzichtig, vinger voor vinger, de altijd eendere ladders afwerkt van wat allang verdwenen is. Ik zie het, en ik zie steeds meer, reconstrueer al ziende. En het hele appartement van boven, vandaag een bron van heimwee, gisteren niet in het minst, rijst op voor mijn stomverbaasde geestesoog.

Ik veronderstel echter dat het hierbij om een metafoor gaat, dat het heimwee dat ik voel niet helemaal het mijne is, en ook niet helemaal abstract, maar de opgevangen emotie van een derde, die deze emoties, die bij mij literair zijn, letterlijk zou hebben, zoals Vieira zou zeggen. Ik kwets en kwel mij dus in mijn veronderstelde gevoel en het heimwee, waarvan de tranen mij in de ogen springen, voel ik in mijn verbeelding door mezelf te verplaatsen in een ander.

En altijd, altijd weer klinken, met een standvastigheid die uit het diepst van de aarde komt, met een hardnekkigheid die metafysisch oefent, de toonladders van iemand die pianoles heeft in de ruggengraat van mijn herinnering. Het zijn dezelfde straten als vroeger, maar anders en met andere mensen; het zijn doden die tegen me praten door het waas van hun gemis; het is spijt om wat ik heb gedaan of heb nagelaten te doen, een kabbelende beek in de nacht, gestommel beneden in het stille huis.

Ik heb zin om te schreeuwen in mijn hoofd. Ik wil hem afzetten, doormidden breken, stukgooien, die onmogelijke grammofoonplaat, die onaantastbare kwelgeest die in mij weerklinkt in een vreemd huis. Ik wil dat mijn ziel stopt als een voertuig, mij laat uitstappen en alleen doorrijdt. Ik word gek van dat eeuwige luisteren. Maar uiteindelijk ben ik zelf − in mijn afschuwelijk gevoelige hersenen, mijn vliesdunne huid en mijn prikkelbare zenuwen − die aan de toetsen onttrokken toonladders, o vreselijke, persoonlijke piano van onze herinnering.

En altijd, altijd weer klinken, alsof een deel van mijn hersenen zelfstandig is geworden, de toonladders van boven beneden in het eerste huis van Lissabon waar ik heb gewoond.

 

Uit het Boek der rusteloosheid (fragment 266), De Arbeiderspers

Inleiding en vertaling Harrie Lemmens
Foto’s Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.