Germano Almeida krijgt Prémio Camões 2018

De Prêmio Camões, de grootste literaire prijs van het Portugese taalgebied, is dit jaar toegekend aan schrijver Germano Almeida (Boa Vista – Kaapverdië, 1945). Almeida’s romans en verhalen worden gekenmerkt door lichtvoetige humor en milde satire. In Het testament van meneer Napumoceno da Silva Araújo (De Geus 2000) schetst hij een beeld van het leven op een Kaapverdisch eiland, zonder de in zo’n kleine gemeenschap vaak onmisbare hypocrisie onbelicht te laten.

Als de rijke zakenman Napumoceno da Silva Araújo overlijdt blijkt hij bij zijn schoonmaakster een dochter verwekt te hebben, aan wie hij het grootste deel van zijn bezittingen nalaat. Deze Maria da Graça gaat op onderzoek uit en vindt een stapel schriften waarin de oude, solitaire heer die haar vader was niet alleen de geheimen achter zijn zakelijk succes openbaart, maar ook de boekhouding opmaakt van zijn gevoelsleven. In het fragment hieronder keert hij terug naar huis na te zijn afgewezen door zijn grote liefde.

Het achtste hoofdstuk van meneer Araújo’s testament was geheel gewijd aan zijn vakantie op São Nicolau; hij benutte het om als het ware een plattegrond van de bezienswaardigheden te maken en besprak ook de geschiedenis van de ontdekking en kolonisatie van het eiland, de families die er zich als eersten vestigden en zelfs bepaalde plaatselijke eigenaardigheden, met name mogelijke verklaringen voor de rotcha s’cribida en het feit dat alle bewoners van Praia Branca als heksen werden beschouwd. Maar na een dikke maand achtte hij zich genezen van zekere gemoedsaandoeningen die hem naar de plaatsen van zijn jeugd hadden gebracht en besloot hij terug te keren, temeer daar hij de lopende zaken van zijn bedrijf had overgelaten aan zijn vriend Fonseca en wist dat dat een serieus en eerlijk man was, maar geen commerciële hoogvlieger.

In het testament zelf vermeldde hij niet meer dan het reeds bekende, maar in het derde schrift lichtte hij in detail de ‘zekere gemoedsaandoeningen’ toe die aanleiding waren geweest voor zijn besluit de goede raad van de antieken op te volgen en te zorgen dat er een zee tussen hem en zijn ongelukkige liefde kwam. En nadat hij al die tijd had doorgebracht met bezoekjes, schrijven en mensen spreken die hij vele jaren niet had gezien, begon Adélia inderdaad te veranderen in een vage herinnering aan iemand die hij had gekend en bemind maar die was gestorven, en zodoende meende hij, nadat die tijd was verstreken, dat hij zichzelf wel genezen kon verklaren en van het ziekbed kon ontslaan om terug te gaan naar huis. Natuurlijk was die prille genezing de reden waarom meneer Araújo het derde schrift de suggestieve titel De terugkeer van Adélia had gegeven, want hij had de deur nog niet geopend of hij constateerde dat het huis vol was van Adélia, van Adélia’s geur, van Adélia’s glimlach, en wel zó vol dat hij zich zodra hij de sleutel in het slot stak realiseerde dat hij te vroeg was teruggekomen; in São Nicolau was zij een vage herinnering geweest, maar die concretiseerde zich nu op een manier die hem benauwde, want terwijl hij in zijn zak naar de sleutels zocht voelde hij haar timide naast zich staan met haar dunne armen om zijn middel alsof ze hem nooit meer wilde loslaten, en hij liep de salon in en daar lag het enorme tapijt waarop ze voor het eerst zo onhandig hadden gevreeën, en hij ging in de oude canvas stoel zitten en Adélia kroop bij hem op schoot met opgetrokken knieën alsof ze in hem wilde opgaan, en met zijn handen achter zijn hoofd genoot hij het pijnlijke plezier haar terug te hebben en zag hij haar naakt en mooi op haar ranke benen door het huis dartelen, de vlakte van haar buik waar hij zo graag zijn hand op legde, en hij strekte zijn armen uit en stond op om haar te pakken, haar tegen zich aan te drukken, maar ze vluchtte weg met verbaasde oogjes alsof ze de hele tijd bang was dat het dak op haar zou neerstorten; hij achtervolgde haar door het hele huis en greep naar haar, maar ze glipte hem tussen de vingers door, lachend met die oogjes die eruitzagen als twee spleetjes, en in het vuur van de strijd bonsde ze tegen een deur aan en hij schrok van het lawaai, maar het gebons hield aan en hij zag dat hij ditmaal niet droomde en deed het licht aan, want het was al donker, en hij ging opendoen en daar stond Adélia met een schuchtere glimlach op haar gezicht. Hij kwam niet op het idee om opzij te gaan om haar binnen te laten, en een hele tijd bleven ze elkaar zo staan aankijken, want zij kwam ook niet op het idee te vragen of ze naar binnen mocht en maakte ook geen aanstalten om naar binnen te gaan, totdat een tochtvlaag haar deed huiveren en ze zuchtte, en toen drukte hij haar tegen zich aan zoals vroeger en omhelsde haar en wreef over haar rug om de kou te verdrijven, alleen glimlachte hij niet meer zoals vroeger, maar zij gaf zich over, sloeg haar armen om zijn nek, legde haar gezicht tegen zijn hals, maar hij bleef alleen over haar rug wrijven en voelde iets warms langs zijn hals druipen en begreep dat ze huilde, en op dat moment merkte hij tot zijn verrassing dat hij bevrijd was en had gewonnen, en hij glimlachte en dacht: sic transit gloria mundi, nu kan ik haar zonder verdriet laten gaan, en daarom liet hij haar huilen en bleef glimlachen terwijl hij dacht: niets bindt me nog aan haar!, maar hij tilde haar op zoals vroeger en bracht haar naar de slaapkamer en legde haar op bed, maar het was niet meer die instinctieve improvisatie van toen – nu bedacht hij elk gebaar, hij bedacht dat hij haar moest kussen en kuste haar, hij bedacht dat hij zijn lippen in het kuiltje van haar hals moest drukken en deed dat, hij bedacht dat hij haar moest uitkleden en kleedde haar uit, hij bedacht dat hij haar moest bezitten en bezat haar, maar het was een uitgekiend gebeuren met als doel haar te laten gillen en kreunen terwijl hij in het donker om haar stuiptrekkingen lachte, en hij knipte het licht aan om haar gezicht te zien en herinnerde zich de vrouw uit Dakar van lang geleden en imiteerde alle liefkozingen die hij van haar had geleerd, inclusief de ‘afdaling in de grot’, maar daarbij richtte hij zich van tijd tot tijd half op om haar gezicht te zien, en haar mond hing open alsof ze naar adem hapte of erge pijn had, maar ze wist fluisterend uit te brengen: ‘Doe het licht uit!’, en hij vond het de stem van een geile teef, hees, alsof ze dronken was, en hij voelde zijn gezwollen en gesuste trots en genoot boven op haar de triomf van wat hij als zijn bevrijding zag, hij was baas over zichzelf en ook over haar zoals ze daar lag, verfomfaaid, haar haren tegen haar voorhoofd geplakt, druipend van het zweet, haar ogen dicht, haar benen wijd, en hij bekeek haar alsof hij haar voor het eerst zag, want hij had het gevoel dát hij haar voor het eerst zag, en hij bestudeerde haar bevrijd van alle zinnelijkheid en ging uit haar terwijl hij haar toevoegde: ‘Sic transit gloria mundi,’ en liep naar de badkamer.

Toen hij terugkwam lag Adélia nog in dezelfde houding, ze hoorde hem naderen en vroeg om een sigaret. Hij reikte haar een brandende sigaret aan en stak er nog een op voor zichzelf. En terwijl ze rookten verbrak ze de stilte en zei: ‘Ik ben gekomen om bij je te blijven, als je me nog wilt.’ Hij hoorde het aan en glimlachte, en kijkend naar Adélia die met de sigaret in haar hand tegen het hoofdeinde leunde, zocht hij in haar zijn wilde gazelle terwijl hij bedacht hoe hij van die woorden had gedroomd in de dagen van radeloosheid, hoe graag hij haar had willen zien binnenkomen en zoals nu zeggen: ‘Ik ben gekomen om te blijven…’ En hij had het gevoel dat hij zijn Adélia in die wanhopige dagen had verteerd, dat hij haar in zichzelf had begraven en er voor hem alleen nog de droom van Adélia over was, maar toch aarzelde hij een moment waarop hij haar zag zoals de eerste keer in zijn magazijn, en daarop zei hij tot zijn eigen verbazing dat hij haar al meer dan een maand geleden had verloren, het was te laat. Adélia begreep het niet, ze zei: ‘Maar toen wilde je met me trouwen, je deed me zelfs een aanzoek,’ en hij voelde een spottend lachje op zijn gezicht, hij zei: ‘Dat was toen – nu is het over.’ ‘Hoe kan het nou over zijn, je zei dat je zoveel van me hield,’ zei ze, en hij voelde dat hij zich voor die vrouw daar op zijn bed wilde ontbloten, zich van haar wilde bevrijden om verder te dromen over zijn gazelle, en hij zei: ‘Het was alsof je een stuk uit mijn lijf had gerukt, ik werd ’s nachts wakker en zocht mijn gazelle, het stukje dat ontbrak, maar het was er niet, het was van me weggevlucht en ik zocht er tevergeefs naar, ik verloor de hoop het terug te vinden en dwong mezelf om zonder te leven. En nu het weer opduikt voel ik dat het niet meer in me past omdat andere handen eraan hebben gezeten, het hebben veranderd, dat het niet langer mijn stukje is en ik het dus niet meer wil.’ ‘Maar ik ben hier,’ zei Adélia terwijl ze dichterbij kwam, ‘ik ben nog altijd dezelfde en ik weet nu dat ik van je hou!’ Maar hij schudde zijn hoofd: ‘Je bent iemand anders, je bent niet meer dezelfde. ‘Ik begrijp het niet,’ zei Adélia. ‘Ik heb honger,’ zei hij en hij stond op en liep naar de keuken.

Inleiding en vertaling Kitty Pouwels
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*