Twaalf Hollandse nocturnes – Cecilia Meireles

In 1951 brengt Cecília Meireles een bezoek aan Amsterdam. Diep onder de indruk van de stad schrijft ze ter plekke een reeks van twaalf gedichten, die ze nachtgedichten noemt. Een prachtige kleine bundel. Welke uitgever durft het aan? Hier het laatste gedicht.

Twaalf

Zonder spoor van ontbinding zal er een drenkeling liggen
in de grachten van Amsterdam.

Wie langs de driehoekige huizen loopt,
wie deze kleine trapjes afdaalt,
wie in de schommelende boten stapt,
zal verbijsterd herhalen:
‘Er ligt een drenkeling in de grachten van Amsterdam.’

Het is een bleke drenkeling, zonder woorden of data,
zonder misdaad of zelfmoord, een lyrische drenkeling,
met zijn ogen van kristal vol bewegende einders,
en zijn verre oren die zich in het trillende water
draaiorgels herinneren zo groot als altaren,
feestelijke carillons,
vredige bollenvelden.

Zonder spoor van ontbinding
zal er een drenkeling liggen in de grachten van Amsterdam.

De steenhouwers kunnen naar zijn ogen komen kijken:
nooit is er zo’n smaragd geweest, of diamant, of beroemde saffier.
Maar niemand mag die doorzichtige ogen aanraken,
die dof en slijmerig zouden worden, buiten deze rust
waar ze betoverd glinsteren.

De profeten zullen zijn dunne kleren kunnen komen bekijken:
bestikt met duizend-en-een gewone en onbekende patronen;
o, zijn kleren van water, met alle fata morgana’s van de wereld,
zijn kleren zo fijn als niet eens in musea en paleizen
of synagogen.
Maar je mag het niet aanraken, dat goud, dat zilver,
die schitterende zijde:
je zou immers slechts algen, slijk en zand aantreffen.
Want het is de dood die hem zo glorievol kleedt,
de dood die hem in zijn armen draagt als een knappe heilige dode.

Zonder spoor van ontbinding
zal er een drenkeling liggen in de grachten van Amsterdam.

Hij zal er voor altijd liggen, en wie dat wil kan naar hem komen kijken
met zijn haar vol sterren,
zijn drijvende zachte handen, vrij van alles,
zonder enig bezit,
met zijn herfstig glimlachende, libelkleurige mond
en zijn lichtende roerloze hart, als een groot juweel,
als parelmoer dat verandert met de buiging van de uren.

iedereen zal hem bij maanlicht, bij regen, bij donker
door de grachten zien glijden, leunend op zijn eigen licht- en helderheid.

Zonder spoor van ontbinding
zal er een drenkeling liggen in de grachten van Amsterdam.

Ik weet wanneer hij in dit treurige water is gevallen.
Ik heb gezien wanneer hij op die vochtige wegen begon te drijven.
Ik heb me vanaf de rand van de nacht naar hem toe gebogen,
en heb tot hem gesproken zonder woorden of zuchten,
en hij antwoordde mij zo zacht en teder,
dat die diepe verdrinking gelukzaligheid was,
en alles bleef voorgoed met goddelijke inwilliging
tussen de nacht, mijn ziel en het water.

Zonder spoor van ontbinding zal er een drenkeling liggen
in de grachten van Amsterdam.

Er is niets wat je om hem te gedenken kunt zingen:
elke zucht zou een wolk zijn boven dat heldere beeld.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*