Maíra – Darcy Ribeiro

Toen ik de Braziliaanse schrijver-publicist Daniel Munduruku in Póvoa sprak, achter de bacalhau en Alentejaanse wijn (zie ook hier), vertegenwoordiger van het Mundurukuvolk, viel vanzelfsprekend ook de naam Darcy Ribeiro. ‘O ja, natuurlijk, Maíra is een van mijn lievelingsboeken, topliteratuur!’ zei hij vol bewondering. Een bewondering die ik deel. Daarom hier een fragment, maar eerst een korte toelichting.

Behalve veel wetenschappelijk werk, onder andere een boek over de geschiedenis van Brazilië, heeft de Braziliaanse socioloog/antropoloog Darcy Ribeiro ook fictie geschreven. Dat heeft twee grote romans opgeleverd: Maíra, een misdaadverhaal waarin de `westerse’ wereld en cultuur in aanraking, zo niet in conflict komen met een geïsoleerde Indianenstam. Als kenner van de Indianen — niet alleen als wetenschapper maar ook als politicus, hij is jaren lang verantwoordelijk minister voor Indianenzaken geweest – brengt Ribeiro hun religie, cultuur, taal en geschiedenis tot leven en plaatst die tegenover de westers georiënteerde leefwijze. Omdat hij de taal beheerst als geen ander, leidt dat nooit tot saaie opsommingen of droge beschrijvingen, maar creëert hij een zeer levendig geheel. En tegelijk wordt de spanning en de vaart erin gehouden door de speurtocht naar een vermiste Zwitserse. Een prachtig boek. In het huidige achtbaan-van-meningen-tijdsgewricht zou hem wellicht verweten worden dat hij als buitenstaander aan de haal is gegaan met het cultuurgoed van een onderdrukte groep. Even perfide als verwerpelijk. Zeggen de voortrazende achtbaanzitters over hem. En zeggen de hoofdschuddende toekijkers op de kermis over hen.

ÑAIRAHÚ

Vroeger vlogen alleen de eeuwige vleermuizen door het donker dat geen begin kent. Toen kwam onze Schepper, de Naamloze, die zag dat Hij alleen was en wachtte. Zodra de tijd gekomen was, vouwde Hij Zijn handen tot een schelp, blies er Zijn adem in, opende de ogen en schoot een vonkje weg met Zijn blik. In de schemer van dat zoele briesje vond Hij Zijn scheppingen uit.

Hij begon met het maken van bergen en dalen en stutte die met schoren. Daarna legde Hij meren en rivieren open. In die nieuwe wateren zette Hij vervolgens de eerste schepsels: de Juruparis, Zijn uitverkorenen. Die gaf Hij de levende fluit, jacuí, zodat ze muziek hadden; ook gaf Hij hun vissen om te vangen en zelfs akkers om overvloedig te kunnen eten. De Juruparis zijn half vis, van hun middel naar boven, en half mens, van hun middel naar beneden. Het was ook aan hen dat de Naamloze de nacht gaf, die in het donker van de diepste wateren sluimerde. Ze zijn wreed, pervers, ontaard.

Vervolgens schiep de Vader de Curupiras, die nog steeds rondwaren in het oerwoud. Het zijn incomplete mensen. De een mist een been, bij de ander staan de voeten omgekeerd. Deze heeft maar één oog, gene heeft zijn ogen op een andere plaats zitten. Ze eten de ziel van hen die ’s nachts verdwalen in het woud. Zijn onheilspellend, gevaarlijk, verraderlijk.

Pas nadat Hij de Juruparis en de Cururipas had geschapen, leerde de Vader echte mensen te maken, complete mensen. En Hij schiep onze grootouders, de Mairum Ambir. Maar Hij schiep hen zonder enige slechtheid. Er bestond geen verschil tussen mannen en vrouwen, ze waren allemaal gelijk. En een kont hadden ze niet, ze aten, braakten het weer uit en aten opnieuw. Wel hadden ze allemaal een schede, met tandjes als de bek van een piranha, die alleen diende om te neuken met de Schepper.

Diens roede was een slangenwortel die onder de aarde groeide. Je hoefde maar ergens drie tikjes op de grond te geven en dan rees God de Vaders pik omhoog, hard, klaar om te paren. Degene die paarde, kwam klaar en gaf de Naamloze genot. Alleen moest hij daarna plassen in een pot. Na vijf dagen bracht die gegiste urine een kindje voort, klein als een karperzalmpje, dat langzaam groeide in het water dat er elke dag overheen werd gegooid.

Mairahu schiep ook alle dieren. Hij tekende ieder dier in het zand en werkte het net zo lang bij tot Hij het mooi vond. Dan blies Hij Zijn adem over de tekening en stond het beest verbaasd op. Waarna Hij het opschrikte en wegjoeg: Ju! Ju!

Het waren echter geen dieren als die van nu. Alle schepsels leefden in dorpen en spraken een eigen taal, net als mensen. Aan elke soort gaf de Vader een geschenk om trots op te zijn. De koningsgier ontving het vuur, het hert het zout. Een blauw vogeltje, de ouimee, kreeg de peper, de reuzenpad de rook. De tayra-marter werd eigenaar van de honing, het hokkohoen van de jenipapo-vrucht; de spin van het katoen, de ara van de anattoboom. Ieder beest had iets goeds en deelde dat met niemand.

Maar die wereld van de Vader was niet erg goed. Dag en nacht bestonden niet, er heerste altijd schemer. En er was weinig te eten. Er waren geen mannen en geen vrouwen, iedereen was hetzelfde. Het ergst was dat de Vader graag gemene spelletjes speelde met Zijn schepsels. Hij wilde zich slechts vermaken, maar die arme wezens leden verschrikkelijk. Een paar keer stuurde hij een stortbui die alles blank zette, en de mensen, dieren en Curupiras moesten vechten om geen kikkers te worden. Andere keren liet hij het vuur regenen, en de bomen en struiken verbrandden; de mensen, dieren en Curupiras leden te zeer. Alleen de Juruparis, die in het water woonden, hadden nergens last van. Of er nu regen neergutste of vuur omlaagstortte, zij zaten altijd goed, keken vanuit hun lagunes toe en lachten zich een bult om het lijden van dat volkje. De Vader stikte bijna van het lachen. Het lawaai van Zijn lachbuien was dat van onweersbuien met donderslagen en bliksemschichten. Hij vulde het hart van alle wezens met angst.

Uit: Darcy Ribeiro, Maíra, Editora Civilização Brasileira, Rio de Janeiro 1981

Inleiding en vertaling: Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.