Een Braziliaan in Berlijn – João Ubaldo Ribeiro

In 1990 en 1991 verbleef de Braziliaanse schrijver João Ubaldo Ribeiro (1941 -2014) een jaar lang als writer in residence in Berlijn. Samen met zijn gezin. In een aantal columns voor de Frankfurter Rundschau bracht hij verslag uit van zijn wederwaardigheden in de net verenigde nieuwe hoofdstad van Duitsland. Hier een van die columns, over het Braziliaanse indianenvraagstuk, dat de bijzondere aandacht genoot (en geniet) van veel internationaal bevlogen Berlijners.

De Indianen van Berlijn

Eén ding heb ik tijdens mijn verblijf hier in Berlijn geleerd: ik zal me pas weer in Duitsland vertonen na het volgen van een cursus over het Amazonegebied en het lezen van minstens één standaardwerk over de Braziliaanse indianen. Je kunt het hier namelijk knap lastig krijgen als je als Braziliaan niets afweet van de Amazone en de indianen. Als ze dat bij mij merken, zijn sommige Duitsers zo gechoqueerd dat ze onmiddellijk de conversatie stopzetten. Anderen, de meesten denk ik, geloven het domweg niet, luisteren niet naar wat ik zeg en ratelen gewoon door, zodat het gesprek schizofrene vormen aanneemt.

`Het Amazonegebied, dat is toch wel ontzettend boeiend, of niet?’

`Jaja, zeker, natuurlijk.’

`Ik begrijp wat u bedoelt. Voor iemand als u, die er direct vandaan komt, is het natuurlijk moeilijk om het net zo boeiend en interessant te vinden als een buitenlander. Iemand die van buiten komt, is in ieder geval…’

`Het ligt eigenlijk iets anders, weet u, ik ben er namelijk nog nooit geweest.’

`Bent u dan als kind al weggegaan uit Brazilië?’

`Nee, hoor, ik woon in Brazilië. Maar ik ben nog nooit in het Amazonegebied geweest.’

`Mijn God, wat zegt u me nu. Maar dat is vreselijk!’

`Nou ja… Ik…’

`Ik wist helemaal niet dat het al zo erg was met de vernietiging, verschrikkelijk! En u heeft het regenwoud nooit gekend? Toen u geboren werd, was dat al voor het grootste deel vernield, platgebrand, verwoest! Vindt u niet dat dat een afschuwelijke misdaad is tegen de natuur, tegen onze planeet?’

`Tuurlijk. Maar dat is het helemaal niet, want ik…’

`Bent u het dan niet met me eens dat we op z’n minst moeten proberen de kaalslag tegen te houden?’

`Uiteraard.’

`Ik had ook niet anders van u verwacht. Helga, kom eens hier, moet je horen wat onze Braziliaanse vriend mij net over het Amazonegebied heeft verteld, niemand kan beter duidelijk maken hoe het er echt voorstaat dan een Braziliaan, en wat hij net verteld heeft, is echt afschuwelijk, ’t is nog veel erger dan we dachten! Stel je voor, hij is in Brazilië opgegroeid en heeft het regenwoud nooit gezien! De vernietiging was al zo ver opgerukt dat er bij hem niets meer was! Vertelt u Helga wat u mij net verteld hebt, beste vriend, god zeg, het is gewoon verschrikkelijk. Kom, Helga, hij zei dat…’

Bij lezingen, voordrachten en soortgelijke zaken is het nog erger, omdat daar een collectieve druk heerst. Ik heb amper het laatste woord gezegd, of er staat een heer op die op verbaasd verwijtende toon zegt: `Ik heb in de krant gelezen dat u nog nooit een indiaan hebt gezien. Klopt dat?’

Gemompel in het publiek. Dat witte ding daar in de hand van die jongen met dat punkkapsel, is dat een ei, dat ik zo meteen naar mijn hoofd gesmeten krijg als ik het verkeerde antwoord geef? Zou die vrouw op de eerste rij met haar paraplu op me afstormen? Maken de studenten daar achterin zich op om overeind te springen en in wild boegeroep uit te barsten? Bij een internationale crisis van deze omvang moet je enige creativiteit aan de dag leggen.

`Natuurlijk klopt dat niet,’ zeg ik sussend. `Dat is een leugen van de krant, kranten liegen zo vaak. Ik zie iedere dag indianen. Toen ik klein was, kwamen ze altijd uit het oerwoud aan de overkant van de straat en sprongen bij ons over het tuinmuurtje om de kippen met pijlen dood te schieten. Sinds een aantal jaren woon ik in Rio, waar relatief weinig indianen zitten, maar ook daar kom je er toch wel zo’n twee-, driehonderd per dag tegen.’

Algemene opluchting. De mensen glimlachen, werpen elkaar tevreden blikken toe, een woud van opgestoken handen, vragen, vragen en nog eens vragen.

`En in Rio, houden ze daar vast aan hun gebruiken?’

`Dat hangt van de stam af. Sommige hebben zich min of meer aangepast. Andere niet, zodat je dik kans hebt dat er in de bus ineens een kleine blote, van kop tot teen beschilderde Indiaan naast je komt zitten.’

`En het kannibalisme?’

`Dat komt nauwelijks meer voor, hoewel een paar milieugroepen tegen de blanke onderdrukking van die eeuwenoude Indianengewoonte hebben geprotesteerd. Maar af en toe hoor je dat ze er een opgepeuzeld hebben, meestal eentje van hun eigen volk.’

`En wat vindt u van de uitroeiing van de indianen?’

`Daar ben ik natuurlijk radicaal tegen. Al was het maar omdat ik anders praktisch zelfmoord zou plegen. Zoals u duidelijk kunt zien aan mijn uiterlijk, heb ik indianenbloed in me. Een kwart. Mijn oma van moeders kant was een Caeté-indiaanse, een beroemde stam omdat ze in de zeventiende eeuw een Portugese bisschop hebben opgegeten.’

Applaus, veel hartelijke handen, een groot succes. En wel zo groot, dat ik erover denk om dit soort betogen op alle vlakken te gaan houden, zo lang ik nog in Berlijn ben. Of nee, als ik er goed over nadenk, doe ik dat al. Gisteren nam mijn vrouw de telefoon op en verzocht degene die belde na een paar woorden even te wachten.

`Hier is een hele aardige meneer die een hoorspel aan het maken is over het Amazonegebied, en daarvoor heeft hij stemmen van kinderen daarvandaan nodig. Omdat hij gehoord had dat wij twee kleine kinderen hebben, wil hij weten of die de stemmen in dat stuk kunnen doen. Moet ik tegen hem zeggen dat João en Maria niet uit het Amazonegebied komen en er ook nooit geweest zijn?’

`Nee,’ zei ik, `vraag hem hoeveel hij betaalt. En dat als hij nog iemand zoekt voor de rol van opperhoofd, dat ik dat dan doe.’

Vertaling: Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*