Kinderjaren – Almeida Faria

Almeida Faria (1943) debuteerde als negentienjarige met Rumor Branco. Drie jaar later, in 1965, verscheen A Paixão, dat ik in 1991 heb vertaald. Het boek werd uitgegeven door De Prom en kreeg de titel Passie. Gerrit Komrij schreef een voorwoord. Het bovenstaande, autobiografische  fragment is hoofdstuk 21 uit die roman, die later samen met Cortes (1978), Lusitânia (1980) en Cavaleiro Andante (1983) de Tetralogia Lusitana zou gaan vormen. Het thema van die tetralogie is de gesloten, archaïsche samenleving die ten onder gaat.

Passie speelt op Goede Vrijdag, de dag waarop Christus aan het kruis stierf en daarmee – symbolisch gezien – de verlossing van de mensheid aankondigt. Plaats van handeling is het rurale Alentejo, de streek in Portugal waar de schrijver zelf vandaan komt. In zijn geboorteplaats Montemor-o-Novo is als eerbewijs de bibliotheek naar hem vernoemd.

Passie

’s Winters zocht hij de hooggelegen plekken van de quinta op, daar, vlak bij het rumoerige, schoongewas­sen reservoir voor het regenwater, onder het prieeltje dat bij regen lekte, bleef hij uren zitten, op zijn hurken, terwijl hij geduldig figuurtjes van klei maak­te, honden, vrouwen, ridders, auto’s; hij kneedde de klei tot een bal, rood kleiwater sijpelde tussen zijn vingers door, het zitvlak van zijn broek werd al snel een modderbad; van de regen werd zijn haar doornat, hij bibberde ervan, maar hij was daar niet weg te slaan; de ruwe aarden beeldjes waren verbonden met de regen zoals klimop met bomen en zo gauw de zon door de wijkende wolken brak, hij kon er weliswaar mee doorgaan, liet hij dat alles voor wat het was, liet zich opdrogen, klopte het stof af, vlak bij het wonderlijke gekruip van postelein; hij dacht niet meer aan zijn sculpturen, aan zijn hoge reliëfs, of het moest zijn dat het regende; dan begon hij zijn ritueel op­nieuw, als een bezetene, koortsig en doof; hij nam soms kartonnen speelgoed mee, een grijs paard met zijn vrolijke en lichte jockey, zijn forse benen in spreidstand, dubbelgevouwen, hij kon van het paard af, maar los kon hij niet rechtop blijven staan, zoals bepaalde mensen slechts tot één ding geroepen zijn en daar voor altijd slaaf van zijn, dat wist hij of voelde hij aan omdat hij eindeloze reizen maakte; steeds weer reisde hij door fantasielandschappen met een overvloed aan rivieren en dalen, midden in deze vlakte die bedekt is met bossen die in droogte gedijen, en hij werd daarbij vergezeld door zijn lemen schepseltjes; hij fabriceerde de figuurtjes, in gedreven haast, hij hoopte dat ze de gestadige motregen zouden overleven, maar die maakte ze in korte tijd kapot; ook het paard, met zijn ruiter, werd verzwolgen door regen en weer, kleuren verbleekten, de blauwe ogen verloren hun uit­drukking, zijn lichaam werd week en kleverig, zoals slakken die bijna bewegingloos, eenzaam, uit de grond, tussen bremstruiken, gras, stenen vandaan te voorschijn gleden en op mos en dauw bedekt stro een spoor van verstijfd slijm achter zich lieten; en op een dag bleven ze daar liggen, paard en ruiter, zij aan zij, opgelost, omringd door een koppel blaffende, het wild ruikende honden, ontklede vormloze Diana’s, goden uit Delphi en goden zonder naam of faam, huizen met schoor­stenen en deuren, laag en zonder ramen, zoals de huizen van de landarbeiders, aan de voorkant, passerende muilezels en automobielen, automobielen zonder wielen, alleen een blok aarde, compact en zwaar, aan de bodem vastgeklonken zoals rotsblokken of bomen, want volgens Tiago worden in de Alentejo uit de aarde, uit haar gouden aarde, ook de automobielen geboren; de regen vormde ze om tot een soort kaas, als de zon opnieuw scheen en ze hard maakte, raadde niemand wat dat eerder was geweest; hij alleen wist het en inwendig moest hij erom lachen; het deed hem denken aan het oude verhaal over die vrouw, die haar lange kleed weefde en weer uithaalde, en die maar wachtte misschien zonder zelf­s maar te weten waarop; een balling zonder ballingsoord, een beetje het zieke zwakke jongetje dat echt niets onder de leden heeft, hij was de jongste, dát kind dat van de goden altijd wel een of andere gave heeft meege­kregen, een manier van glimlachen, van kijken, een kleur haar, een of andere vreemde manie, waarvan de ouders, niet meer van de jongsten, omdat ze eerder kinderen en meer dan genoeg zorg daarvan hebben gehad, en die miskramen hebben gehad, doodgeboren of jongge­storven kinderen, ruzies en onenigheden om de oudsten, van de benjamin dáár houden die ouders dan van met een enigszins postume liefde, blind voor alles en met een starrige liefde, niet van ouders maar van grootou­ders; zo is dat ook met Tiago, de trieste, voor zijn moeder de mooiste van haar jongens en zelfs mooier dan zijn zusje, die toch echt wel een zekere schoonheid heeft, een troostende en stille schoonheid, zeker wat betreft haar grote ogen, eventueel haar voorhoofd, dat ze, zo meent haar vader, van haar overgrootvader heeft; Tiago, daarentegen, was begiftigd met ogen die twinkel­schitterden, een mond die scherper gelijnd was en, als ze geopend was, regelmatige, scherpe, smalle, rechte en van die prachtig witte tanden te zien gaf, met daarboven een krachtige neus, grote oren, lang, zijde­achtig haar, hij was van een vrolijkheid die iedere volwassene, die hem aankeek, schokte door zijn kinder­lijke onschuld; een kleine god leek hij wel, in zijn witte bloes met een lange kanten strook die over zijn schouders liep, een waarachtig gulden vlies, zijn lange blonde haar, zijn nek en hals omsloten als een Russische prins; wanneer hij stom, gedompeld in zijn regendroom, geruisloos door de keuken binnenkwam, was hij een soort gedoemd dichter, van wie de ogen tegen alles in volharden in dromen.

Inleiding en vertaling Piet Janssen
Foto Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*