De stank uit de afvoer – Lourenço Mutarelli

Lourenço Mutarelli (1964 São Paulo) is een duizendkunstenaar. Hij schrijft romans, stripverhalen, graphic novels, toneelstukken, filmscenario’s en allerlei kleinere genres. Eén constante overheerst echter in zijn werk: beelden. Bij alles wat je van hem leest zie je beelden. De opsmuk, of, met andere woorden, het gebruik van adjectieven, is gering bij hem. En toch zijn zijn beelden loepzuiver en glashelder. Zijn taal is uitgebeend, puntachtig, als het beste van Elsschot en Nescio. Daarnaast is zijn bewondering merkbaar voor de grote schrijvers van misdaadromans, zoals James Ellroy, koning van hardboiled helden en shabby losers.

Dat ietwat vreemde huwelijk leverde bijvoorbeeld de roman O cheiro do ralo (‘De stank uit de afvoer’) op. Mutarelli schreef het boek in 2002 in vijf dagen, weggevlucht van de waanzin van het carnaval. Tien jaar later werd het verfilmd.

De hoofdpersoon drijft een kleine uitdragerij in São Paulo en er passeert een hele stoet van verknipte of verpauperde of verslonsde lui de revue. En niet te vergeten het meisje uit de lunchroom. Vlak na het carnaval hier een fragment.

“Soran was een anagram. Dat zei hij tegen me.
Hij zei ook dat hij een hoge prijs had betaald voor het horloge. Daarbij haalde hij een massief gouden zakhorloge uit zijn jasje.
Ik zag dat er ooit een dekseltje op had gezeten, ter bescherming.
Hij zwoer dat het ding van professor Soran was geweest.
Ik vroeg wie in vredesnaam Soran was.
Daarop zei hij dat Soran een anagram was. Hij pakte het horloge uit mijn handen en stak het terug in de binnenzak van zijn colbertje.
Nou, hoeveel geeft u mij hiervoor?
Er kwam een sterke rioollucht aandrijven die opsteeg uit de afvoer en in mijn neusgaten drong. In de hele ruimte drong.
Rotlucht, komt uit de afvoer, zei ik.
Ik geloof dat ik bang was dat hij dacht dat die stank van mij afkwam.
Hij zei dat Soran een wijze was, een ziener. Ik had jeuk op mijn rug en ik besefte ineens dat ik bij het bekijken van het horloge niet gekeken had hoe laat het was. Ik had haast, maar het lukte me niet op mijn pols te kijken.
Mag ik dat fraaie horloge van u dat van Solon is geweest nog even zien? Soran, corrigeerde hij. Halfdrie. Ik wist niet of ik dat oude geval kon vertrouwen, zou het nog lopen? Haast instinctief hield ik het aan mijn oor. Het speelde een mooie melodie. Dat zei hij. En hij bevestigde dat er ooit een dekseltje op had gezeten en dat je het wijsje kon horen als je het openklapte.
Hij zei dat dat wijsje hetzelfde was als wat je nu hoort op de vrachtwagens die gasflessen bezorgen.
Ik kon me niet beheersen en keek op het goedkope horloge om mijn pols: kwart voor een.
Hij vertelde dat hij het horloge in handen had gekregen via een archeoloog. Ik zei dat het horloge volgens mij toch echt niet zo oud was.
Hij snapte de grap niet. Zei dat die archeoloog, op wiens naam ik nu niet kan komen, als spion optrad. Ik wist dat er nu een van die verhalen zou volgen die ik niet wilde horen.
Hij zei dat Soran een anagram was.
Na dat hele verhaal besloot hij dat hij ondanks de onschatbare waarde van het ding een speciaal prijsje voor me kon maken.
Ik zei dat ik niet geïnteresseerd was.
Als het dekseltje er nou nog op zat, voegde ik eraan toe.
Zijn gezicht werd nors.
Hij keek opnieuw naar het horloge.
Hij zei dat ik niet besefte wat voor buitenkans ik daar aangeboden kreeg. Hij zei dat het geluk zijn deuren voor iedereen opent, op zijn minst een keer in het leven, maar dat het geluk zijn deuren sluit als je die kans laat schieten.

—-

De serveerster was werkelijk traag.
Haar gezicht stond somber. Bijna uitdrukkingsloos.
Het broodje dat ze voor me neerzette zag er ook niet vrolijk uit.
Ik moest denken aan onze vaste mop in de kantine van mijn eerste baan. 007. Zo noemden we de biefstuk daar.
Omdat hij ijskoud, taai en keihard was.
Terwijl ik at verslond ik het boek dat ik op de bar had gelegd.
American Tabloid. James Ellroy. Goed boek. Ellroy schreef op het ritme van mijn denken. Huiveringwekkend. Onstuitbaar. Een storm. Totaal opgefokt.
Ik liet de helft van het broodje liggen.
Het fris was uit blik.
Ik begon te denken in het ritme van James Ellroy.
Toen ik dat merkte, zat ik naar een enorme kont te kijken.
Vol. Bijna wanstaltig.
Het was de kont van de serveerster. Ik bedacht dat ze in wezen best aardig was.
Ik glimlachte. Zij keek me even somber aan.
Ik vroeg hoe ze heette.
Het lukte me niet om haar naam uit te spreken.
In wezen was ze aardig.
Ik vroeg hoe lang ze al in de lunchroom werkte.
Een week.
Ik bedacht dat ze haar baan met zo’n gezicht net zo vlug weer zou verliezen.
Ze draaide zich om en bukte zich om de afstandsbediening op te rapen, die uit haar zak gegleden was. Wie weet bleef ze er wel tot haar pensioen. Of maakte ze promotie en werd de baas. Ze vroeg wat ik aan het lezen was. Ik liet haar de kaft zien. James wie? Ellroy, antwoordde ik.
Ze zei dat ik op die vent van de reclame op tv leek.
Ik probeerde me zijn gezicht te herinneren.
Ik glimlachte naar haar.
Vond u het broodje niet lekker?
Ik heb geen honger.
Ik bestelde nog een fris.
Ze draaide zich om om een blikje te pakken.
Ik bedacht dat ik wel een week naar haar kont kon blijven kijken.
Ik liep naar de man achter de kassa. Betaalde en kocht sigaretten.
De man gaf me een toverbal.
Frambozen.
Ik liep terug naar de bar. Gaf de bal aan het meisje. Hoe heet je nou ook weer, vroeg ik. Dat kan ik nooit uitspreken. Ze glimlachte niet.
Ze stak de toverbal in haar zak.
Ik wilde haar vragen om zich nog een keer om te draaien.
Ik ging terug naar mijn werk. Ik wou dat ik wilde stoppen met roken.”

Inleiding en vertaling: Harrie Lemmens
Foto (schrijver): Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.