Kinderjaren – Bernardo Carvalho

Bernardo Carvalho (1960 Rio de Janeiro). Journalist (als correspondent werkzaam geweest in Parijs en New York) en schrijver van een verhalenbundel en elf romans, waarvan er een in Nederland is verschenen: Negen nachten (Atlas 2006, vertaling Jelle Noorman). Winnaar van de belangrijke literaire prijzen ‘Telekom Portugal’ en ‘Jabuti’ (tweemaal). Deze bijdrage aan Kinderjaren is de voor een deel autobiografische opening van de nog titelloze roman waaraan hij momenteel werkt. Een primeur dus! Hier kunt u een deel van zijn in Brussel gehouden betoog Zo duidelijk als wat lezen.

Ervaring geneest

‘Heb je je al ooit voorgesteld dat je hoog boven de eindeloze aarde vliegt en alles kunt doen wat je maar wilt, stijgen, dalen, alle kanten op, als een valk in de stilte van de hemel, helemaal in je eentje op het hoogste punt, waar niets je in de weg staat? En dat je dan ver onder je de kronkelende rivieren ziet glinsteren in de zon, en de blauwe lucht en de wolken, die als spiegelsplinters zover het oog reikt het dichte oerwoud doorsnijden, waar verborgen onder de zee van bomen indianen en wilde dieren wonen, krijsend in de eeuwige nacht van het oerwoud?’ vroeg de stiefmoeder met snerpende stem aan het jongetje, alsof ze het begin voordroeg van een van die akelige boeken van de leeslijst waar hij zich in de vakantie doorheen moest worstelen.

De stiefmoeder was jong en ze gedroeg zich niet consequent. Zo schaamde ze zich niet om te laten zien dat ze weleens een bestseller las. En als ze het over indianen had, was uitgeroeid worden wel het laatste waar ze aan dacht. Dan dacht ze aan carnavalsliedjes. Ze praatte met dezelfde ongedwongenheid als waarmee ze een sigaret in de ene en een glas gin-tonic in de andere hand hield, en glimlachte naar het Amerikaanse gastenpaar, zonder te beseffen hoe bespottelijk en aanstellerig ze was met haar pompeuze platitudes van tegenstellingen – de stilte en het gekrijs, de zon en de eeuwige nacht –, alsof ze het kind zo aanmoedigde om voor het eerst binnen te dringen in het oerwoud, de zin voor avontuur wilde wekken bij haar stiefzoon, terwijl ze hem in feite alleen maar angst wilde aanjagen. Ze leek meer een onvrijwillige nabootsing van slecht nagesynchroniseerde horrorfilms.

De jongen mocht dan alles hebben om in paniek te raken – sinds de scheiding van zijn ouders had hij hoogtevrees –, hij  had ook verdedigingstechnieken ontwikkeld en op dat moment lette hij al meer op het synchrone rinkelen van de ijsblokjes in de whiskyglazen van het jeugdige gastenpaar, dat ongeduld verried bij de twee, iets wat ze om redenen van beleefdheid en belang probeerden te verdoezelen. In tegenstelling tot de gastvrouw openden zij nauwelijks hun mond, ze glimlachten slechts en als ze wat zeiden deden ze dat zachtjes en in het Engels, meestal om elkaar te laten merken hoe ongelooflijk het was wat ze hoorden en zagen, zoals de Amerikaan een paar uur eerder, toen hij van de uitklapbare trap van het tweemotorige vliegtuigje was gedaald, met opgetrokken wenkbrauwen en wijd opengesperde ogen steun had gezocht bij zijn vrouw.

Ze waren op huwelijksreis. Brazilië kenden ze nog niet en ze verbonden het nuttige met het aangename. De man moest daar zaken doen voor het familiebedrijf, dat in hout deed, maar hij was een groentje en blijkbaar had niemand de moeite genomen hem te wijzen op het pragmatisme van die handel. Een jaar eerder was de Braziliaan die hem nu ontving in de Verenigde Staten geweest, om de familie tropisch hardhout aan te bieden tegen een zacht prijsje. De Amerikanen hadden de zaak kunnen wantrouwen, om vervolgens hun verontwaardiging kenbaar te maken. Ze waren belijdend gelovig maar van het soort dat in naam van de handel redenen voor morele verlegenheid a posteriori liever wegwuift. Alleen de jongeman leek de woorden van Christus die hij ’s zondags tijdens de dienst hoorde nog letterlijk op te vatten: dat alle mensen gelijk zijn en dezelfde rechten en plichten hebben ten overstaan van Gods wet.

Bijna twee jaar geleden had de Braziliaanse gastheer dankzij goede contacten in de hoofdstad Brasilia voor een habbekrats tienduizenden hectare grond kunnen kopen, oerwoud en cerrado, dor terrein met een begroeiing van struiken en ondermaatse bomen. De militairen van de dictatuur waren bezig het Amazonegebied te verloten. De enige vereiste (of liever, de enige bonus) was dat de begunstigden de in principe onbeheerde gronden daadwerkelijk in bezit namen, wat inhield enorme bosgebieden veranderen in weiland, en dat allemaal gul gefinancierd door de overheid. En omdat de Braziliaan zo’n buitenkansje nooit zou laten schieten, was hij naar Oregon gegaan om het hout van de kap op voorhand te verkopen.

Hij was vijftig, droeg zijn haar in een scheiding en in zijn linkermondhoek hing een pijp toen hij zijn vrouw, die zijn dochter had kunnen zijn, zijn zoontje en het Amerikaanse echtpaar terugreed naar huis, waar hij hen aan het eind van de middag liet plaatsnemen op het terras met uitzicht op het aflopende gazon en het grindpad dat met een boog omlaag liep naar de poort en het kleine bos aan de overkant van de onverharde weg. Hij en zijn vrouw waren de eerste bewoners van het condomínio, de gesloten woonwijk die onlangs was opgeleverd, vooral op aandrang van haar, moet erbij gezegd worden, maar hij had er onmiddellijk mee ingestemd, zo verliefd was hij. Het was onvoorstelbaar dat hij twee jaar later over datzelfde pad zou vluchten voor de geweerschoten van zijn jonge echtgenote, een meisje van goeden huize dat daar nog zo gelukkig en onschuldig leek in het licht van de ondergaande zon, gehuld in haar strapless gele jurkje, haar stijfgelakte kapsel en de sigaret en het glas gin-tonic die steeds van hand verwisselden.

Over diezelfde kromme oprit zou haar lijk maanden nadat haar man haar had verlaten worden weggebracht, onder het bedreven stilzwijgen van haar katholieke familie, die coûte que coûte de zelfmoord wilde verhullen en het eufemisme van een slagaderlijke bloeding gebruikte voor het schot waarmee zij met de loop van het geweer van haar man in haar mond haar schedeldak zou wegblazen. Niets van dat alles leek nog mogelijk op die late namiddag op het terras dat baadde in het oranje licht van de zonsondergang. Het was onwaarschijnlijk dat de gastvrouw, die met het Amerikaanse stel babbelde, weet had van het buitenechtelijke seksleven van haar man. Ze waren gelukkig. Ze waren net terug uit Campo de Marte, waar hij hen heen had gebracht om naar het vliegtuig te kijken en na te gaan of alles in orde was voor de volgende ochtend.

De jongen was de enige die, zonder er iets van te begrijpen, de ontboezeming van de Amerikaan had gehoord, toen hij vanuit het vliegtuig naar zijn vrouw was gelopen, nadat hij dat vliegtuig van binnen had bekeken, met vijf zitplaatsen en een onder een stoel weggemoffelde wc, en verontwaardigd zei: ‘Alleen iemand die gek is (of iets dergelijks, dacht de jongen), alleen iemand die gek is (misschien had hij gezegd: iemand die niet weet wat hij doet) dwingt zijn zoontje van elf zes uur lang in dit ouwe wrak in de richting van de hel te vliegen; zo’n onschuldige ziel kun je beter niet bij je zaken betrekken.’ En dat alleen de jongen het hoorde, ook al begreep hij het niet helemaal, kwam wellicht doordat hij in de verontwaardigde en minachtende toon van de buitenlandse gast legde wat hij zelf dacht, zonder het te kunnen zeggen. Sinds de scheiding van zijn ouders leed hij aan hoogtevrees. De dag na die scheiding was hij bij zijn vader in het vliegtuig gestapt voor een avontuur in de hel – zijn vader die altijd pochte dat alle heiligen de kerk uit renden als hij binnenkwam, maar die voordat hij werd beschuldigd van sadisme, naar het jonge Amerikaanse stel stapte en alsof hij hun van advies diende, een lang pleidooi hield voor de ervaring als leer- en heelmethode.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*