Kinderjaren – Fernando Monteiro

 

Fernando Monteiro (Recife 1949) is schrijver, dichter, essayist, kunstcriticus, filmmaker, met een omvangrijk oeuvre. Toen ik hem voor mijn boek God is een Braziliaan sprak in de stad van Johan Maurits en de Verenigde West-Indische Compagnie, zei hij dat hij niets had met Brazilië. Tenminste niet met het Brazilië dat zich opsluit in zijn eigen regionalisme. ‘Daar heb ik een bloedhekel aan. Ik heb met de wereld te maken. Met de wereldliteratuur. Daar voel ik mij verwant mee. Ik ben schrijver, geen antropoloog. De meeste literatuur van hier zegt me niets. Machado wel natuurlijk. Maar dat was ook juist iemand die de Braziliaanse literatuur boven zichzelf uit tilde. Of Guimarães Rosa, die het regionale, de sertão, als uitgangspunt gebruikte voor magistrale vernieuwende literatuur.’ Zo is zijn dichtbundel Vi uma foto de Anna Akhmatova een prachtige ode aan de Russische dichteres. Zijn grote liefde, de film, blijkt niet alleen uit zijn vele recensies en de documentaires over de culturele wereld die hij zelf heeft gemaakt (na een opleiding te hebben gevolgd in Rome), maar ook uit deze herinnering aan het zien van The Great Dictator, Charlie Chaplins magistrale parodie op Adolf Hitler.

De eerste keer

De eerste keer dat ik Charlie Chaplin zag, was tien jaar na de oorlog en ik dacht dat het een echt iemand uit die oorlog was (jarenlang had iedereen het alleen maar over de oorlog gehad, ook toen die gelukkig voorbij was), als een soort roet op het prikkeldraad dat alle regen na het conflict nog niet had kunnen wegspoelen.

Na de oorlog was de klok weer gaan tikken met de verdwaasde tortelrust van de meisjes die weer bibberden onder de onervaren handen van de jongens die groot waren geworden nadat hun broers de lucht in waren gevlogen (het nieuws was laat gekomen, om de kinderen te sparen, die naar binnen waren gevlucht), en ineens had ik me alleen gevoeld, vreselijk alleen, terwijl ik losse woorden van verdriet opving, de naam van mijn broer in de beroerde verwarring van die tijd, die het lachje met de spitse tandjes van Chaplin in één klap anachronistisch had gemaakt, iets wat tegelijkertijd uit de voorbije jeugd van mijn broer kwam en (dacht ik) uit de eeuwige veldslagen in zwartwit van de verhitte films in de brandende bioscoop – dat wat mijn dode broer, een vliegenier in een uniform zo donker als een dichte zaal, mij op een ochtend in alle vroegte nog had verteld, met verbrande ingewanden in het rokende metaal van het schip dat ik me slechts kon verbeelden (niet meer dan dat), toen ik tien jaar later voor de eerste keer mee mocht naar de bioscoop en Charlie Chaplin zag met een zinloze roos in zijn hand kort voor de woorden THE END de lichten langzaam lieten aangaan boven iedereen die tien, vijftien of misschien wel twintig jaar eerder aan de dood was ontsnapt.

Pas veel later hoorde ik op school stomverbaasd dat Charlie Chaplin een acteur was en geen dictator, geen inslechte man – hoewel ietwat belachelijk – die zoveel mensen de dood had gebracht met zijn kleine handjes die druk zwaaiden boven zijn hoofd.

 

Inleiding en vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*