Fernando Pessoa en Zuca Sardan

Over Fernando Pessoa’s liefdesleven is nagenoeg niets bekend. Hij heeft in proza en poëzie vaker over het thema geschreven, dat wel, maar er is geen weduwe, geen maîtresse of geen vriend bekend. Alleen Ofélia. Ofélia de Queiroz, een kantoormeisje dat hij op zijn tochten langs handelskantoren tegenkwam en met wie hij zoiets als een (onschuldige) flirt had. En correspondeerde: in 1920, als zij negentien is, tot hij de briefwisseling beëindigt, gevolgd door een korte opflakkering tien jaar later. Het is nooit duidelijk geworden of het serieus bedoelde avances waren (door haar werden ze in elk geval zeker zo opgevat), of slechts de beoefening van een zoveelste genre, spel dus op dat grote podium van zijn geest, waar alle heteroniemen onafgebroken om elkaar heen dansten. Hoe het ook zij, de brieven zijn er, en in een korte serie van vijf publiceren we er fragmenten van, voorzien van een getekend commentaar van onze eigen Zuca Sardan.

Ofélia, liefde en wijn

 

‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. De eerste is dat dit papier (het enige dat ik kon vinden) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port heb gevonden, waarvan ik een fles open heb gemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is. (Álvaro de Campos, ingenieur.)’

Fernando Pessoa, 5-4-1920, in Fernando Pessoa & Ofélia Queiroz, Liefdesbrieven, p. 56-57, De Arbeiderspers, Amsterdam 2005.

 

 

‘Fernando ziet Offelha op het etiket van de fles.’ Zuca Sardan.

Vertaling Harrie Lemmens

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*