Kinderjaren – António Lobo Antunes

Hondenleven

 

Ik heb altijd een moeilijke relatie gehad met mijn moeder. Dat begon al meteen bij mijn geboorte

(ik ben de oudste)

toen ik haar bijna de dood injoeg door een eclampsie

(ze vertelde dat ze tegen mijn vader zei

‘Ik ga dood’

en dat mijn vader antwoordde

‘Wat kan ik daaraan doen?’

wat haar niet bepaald opmonterde)

en daarna ging ikzelf bijna dood omdat ze zo druk met haar in de weer waren dat ze mij vergaten: ik werd gered door een oudtante

tante Galhó

die zag dat ik geen adem meer kreeg en verschrikt uitriep

‘Het kind, het kind’

en daarop wasten ze het kind, dat een scheve kop had vanwege de tang waarmee het de wereld in was getrokken. Dat was nog maar de eerste keer dat ik haar flink liet schrikken. Toen ik zeven of acht maanden was, vond ik het nodig in een coma te raken door een hersenvliesontsteking, destijds een belangrijke doodsoorzaak en nog steeds een belangrijke doodsoorzaak. Een baby van acht maanden die in coma ligt is ongetwijfeld een vreselijk beeld voor elke moeder. Ze slaagden erin me te redden met sulfamidespuiten in mijn buik. Kort daarna, op mijn derde, opnieuw een schrik: tbc. Drie dingen achter elkaar waar zelfs een heilige hoorndol van zou worden. Tegelijk had ik met drie maanden al god weet hoeveel tanden, praatte ik toen ik één jaar was als Demosthenes, en op mijn tweede loste ik sommen op en sprak behalve Portugees ook Spaans. Ik joeg mijn ouders de schrik op het lijf met een bijzonder rare vroegrijpheid, circuskunstjes waardoor ze dachten dat mijn broer João achterlijk was. Toen ik vier of vijf was, leerde ik in een vloek en een zucht lezen van mijn moeder, en ik begon gelijk maar te schrijven, wat ze mij niet had bijgebracht. Daarna moest ik van haar naar school, waar ik me dood verveelde omdat niks me interesseerde. Ze kwam een keer kijken en toen zat ik met mijn rug naar de juf naar het plafond te staren. Min of meer rond die tijd liet ik haar mijn gedichten zien

(ik las stiekem de boeken van mijn vader)

met de verzekering dat ik de grootste dichter van de hele wereld was. Ze geloofde me niet en daar deed ze heel goed aan, maar voor alle zekerheid vroeg ze het toch even aan mijn vader. Die las altijd gedichten voor die ik meteen van buiten kende. Spelen vond ik ook niks aan, ik had een hekel aan speelgoed, en nog voor mensen hun mond opendeden wist ik al wat ze zouden zeggen en dus liep ik weg voor ze half uitgesproken waren. Kortom: ik moet een rotblaag zijn geweest voor de anderen en ik was ook een rotblaag voor mezelf. Afgezien van schrijven had ik nergens zin in, en mensen waren zo doorzichtig. Ik was dus een belabberde leerling, een raar kind en een uitzonderlijk wezen, en had daardoor een hondenleven.

(Visão, Crónica 29 juni 2017, fragment)

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*