Tessa de Loo over literatuur die de werkelijkheid weerspiegelt

Gesprek met Tessa de Loo

door Liliane Waanders

Voordat ze in 1994 naar Portugal verhuisde, las Tessa de Loo nauwelijks Portugese literatuur. Eenmaal gearriveerd in Coimbra – daar woonde de schrijfster voordat ze zich definitief in Loulé in de Algarve vestigde – begon ze te lezen om het wezen van de Portugezen te doorgronden. Fernando Pessoa, José Saramago en António Lobo Antunes hielpen haar een heel eind op weg.

Toeristen die denken dat Portugal een modern land is en Portugezen vriendelijke en opgewekte mensen zonder zorgen zijn, hebben het volgens Tessa de Loo (1946) bij het verkeerde eind. ‘Wie de taal niet spreekt en de geschiedenis niet kent, komt niet veel verder dan deze eerste, ietwat misleidende, indrukken.’

Tessa de Loo dankt veel van haar inzichten over Portugal en de Portugezen aan het lezen van literatuur. ‘In het geval van Portugal gaat zeker op dat de literatuur de ziel van het land weerspiegelt. Dat de gewone man in Portugal niets was, illustreert Memoriaal van het klooster van José Saramago (1922-2010). Koning Dom João V lost daarin zijn belofte aan God in om in Mafra een groot klooster te bouwen als zijn huwelijk niet kinderloos blijft. Hij rekruteert sterke kerels, die tegenspartelend op wagens gehesen worden en als lijfeigenen te werk gesteld worden. De gewone man had geen rechten. Een mensenleven betekende niets.’

‘Een ander boek dat indruk op mij maakte, is Het handboek van de inquisiteurs van António Lobo Antunes (1942), dat de tijd van de dictatuur, de kentering en de periode net daarna beslaat. Vijf personages – een voormalig minister, zijn tweede vrouw, zijn zoon, zijn buitenechtelijke dochter en zijn gouvernante – moeten verantwoording afleggen voor hun aandeel aan de geschiedenis. De oud-minister maakt de val van het regime Salazar en de komst van het communisme mee, en valt van zijn voetstuk. Hij eindigt zonder aanzien en zonder geld in een bejaardentehuis. Het handboek van de inquisiteurs gaat over het einde van de macht van de elite, maar ook over wat mensen beweegt: niets menselijks is de vijf personages die ieder hun kant van het verhaal vertellen vreemd.’

António Lobo Antunes is volgens Tessa de Loo ook de schrijver die je gelezen moet hebben om te begrijpen wat de koloniale geschiedenis met de gewone Portugees gedaan heeft.  ‘Lobo Antunes was als dienstplichtig arts getuige van de wreedheden tijdens de koloniale oorlog in Angola, waar iedere gedode tegenstander extra verlof opleverde. Onder een dergelijk regime was de burgerbevolking vogelvrij. Oorlogsrecht bestond niet. António Lobo Antunes maakt aannemelijk dat de verschrikkingen van die oorlog hun directe weerslag hebben gehad op het karakter van de Portugese soldaat die zijn plicht moest doen.’

De ware hoeder van de Portugese ziel is voor Tessa de Loo uiteindelijk toch Fernando Pessoa (1888-1935). ‘Bij Pessoa vind je de Portugees in optima forma. Zijn melancholie. Zijn defaitisme. Het al moe zijn voordat de reis begonnen is. De zinloosheid van alles. Het boek der rusteloosheid is schitterend en geeft het gemoed van de Portugees prachtig weer.’

Naarmate Tessa de Loo meer ‘ingeburgerd’ raakte, had zij de literatuur steeds minder nodig om zicht te krijgen op Portugal en de Portugezen. Leest ze literatuur omwille van de literatuur zelf. Toen ze tijdens het uitzetten van een literaire reis door het zuiden van Portugal in Vila Viçosa belandde, ontdekte ze het werk van de ‘lokale’ dichteres Florbela Espanca (1894-1930). ‘Ze was een voorloopster van het feminisme in Portugal en had een tumultueus, rusteloos leven. Haar kwellingen zette ze om in toegankelijke poëzie van hoge kwaliteit, vol erotiek en vrouwelijkheid.’

Schrijvers en dichters worden in Portugal volgens Tessa de Loo met eerbied en respect behandeld. Elk dorp en elke stad heeft zijn eigen dichter. Dat zijn geen stadsdichters die zoals in Nederland dichtend reageren op de actualiteit, maar dichters die onderdeel uitmaken van de plaatselijke gemeenschap. ‘In Loulé hebben we bijvoorbeeld António Aleixo (1899-1949), een analfabete dichter die uitgegroeid is tot een cultfiguur. In zijn door anderen opgeschreven gedichten keerde hij zich tegen de tirannie van de rijken en de machtigen. Hij is in brons vereeuwigd en zit aan een tafeltje op de stoep van Café Calcinha, en net als bij Fernando Pessoa die in Lissabon voor zijn stamcafé A Brasileira zit, kunnen liefhebbers van zijn werk naast hem op het terras plaatsnemen.’

Op Nederlandse schrijvers die zich aan Portugal wagen, reageert Tessa de Loo met de nodige reserve. ‘Het beeld dat Gerrit Komrij (1944-2012) in Zakenlunch in Sintra van de Portugees is heel geestig. Maar door de overdrijving – overdrijven is een stijlfiguur die Komrij veelvuldig toepaste – maakt hij Portugal en de Portugezen ook een beetje belachelijk. Wie zijn stijl niet doorziet, krijgt een verkeerde indruk van het land en zijn bewoners.’ Van J.J. Slauerhoff (1898-1936) vindt ze juist dat hij te veel idealiseert.

Het is volgens Tessa de Loo overigens niet onmogelijk om als relatieve buitenstaander een acceptabel beeld van een stad of land te geven. ‘Ik heb nog niet zo lang geleden Braziliaanse brieven van August Willemsen (1936-2007) herlezen. Hoewel hij net als Komrij een neiging tot overdrijven heeft, is hij beter in staat tot relativeren. Hij reist naar de armoedigste, morsige uithoeken van São Paulo en laat zien wat er daar allemaal mis is. Maar hij vergeet niet te vertellen dat Brazilianen die in staat zijn zich aan omstandigheden aan te passen zich nergens aan storen en makkelijk in de omgang zijn. Dankzij zijn meesterlijke stijl weet hij zelfs het gevoel op te wekken dat het voordelen heeft om zo te leven.’

Sinds Tessa de Loo in Portugal woont, schreef ze negen boeken. Daarvan hebben er drie een link met Portugal: De zoon uit Spanje (2004), Daan: een Portugees op voetkussentjes van fluweel (2010) en Liefde in Pangea (2017). Daarnaast schreef ze jarenlang een column in Méditerranée over (het leven in) Portugal, columns die – in opdracht van de redactie – vooral de zonnige kant van het land moesten laten zien.

De zoon uit Spanje gaat zijdelings over Portugal. In deze roman laat Tessa de Loo via haar hoofdpersoon Bardo, een hippie die uit Nederland vertrokken is en zich op zijn manier aangepast heeft aan de gewoonten in zijn nieuwe vaderland, zien hoe vertekend het beeld is dat Noord-Europeanen hebben van het leven in mediterrane landen. Daan is in de eerste plaats een ode aan en een portret van haar overleden hond. ‘Met hem heb ik de Algarve en de directe omgeving van mijn huis en de natuur verkend. Samen hebben we heel wat wandelingen in de natuur gemaakt.’
Eigenlijk is Liefde in Pangea haar eerste boek waarin Portugal een wezenlijke rol speelt. ‘Ik wilde heel graag een boek over de mensen in het achterland, “de bergen”, schrijven. Het leven in de bergen lijkt in niets op het leven in de relatief moderne steden of het mondaine leven aan de kust, waar mensen in villa’s verblijven en golf spelen.
Mensen in de verlaten dorpen moeten mee in de modernisering, maar krijgen bijna niets meer voor hun producten als gevolg van globalisering en het beleid van de Europese Unie. Jongeren trekken weg in de hoop het elders wel te maken. Het is een stervende wereld. Die misstanden wilde ik in Liefde in Pangea aan de kaak stellen. Laat dat mijn bijdrage aan de beeldvorming over het huidige Portugal zijn waar een nieuwe vorm van ongelijkheid groeit.’

_______________________________________________________

Passage uit Liefde in Pangea

Het huis was plat en langgerekt, het lag loom op de top van een heuvel, als een witte kat die bevangen is door de hitte. Voor het huis was een cisterne waaruit met een emmer water werd geput. Onder een oude, kromgegroeide johannesbroodboom stond een wankel tafeltje met een bontgekleurd plastic tafelkleed, omgeven door enkele wrakke keukenstoelen. Het was een ideaal tafereel voor schilders van het pittoreske, maar om te wonen leek het hem een door God vergeten plek.
Hij was midden in de Serra do Caldeirão, wist hij, een gebergte dat de Algarve op natuurlijke wijze afsloot van de rest van Portugal, voordat het werd onteerd door de aanleg van autowegen. Het vormde een kloeke barrière en het was een wonder dat er mensen leefden, maar wie vanuit een dalend vliegtuig naar beneden keek zag diep onder zich stipjes van bebouwing.
‘Bom dia!’ klonk het. Dona Isaura was in de deuropening verschenen, haar donkere ogen  in de schaduw van haar strohoed kwiek op hem gevestigd.
‘Bom dia senhora,’ zei hij met een lichte buiging. Dat vond ze mooi, ze lachte en er verschenen kuiltjes in haar wangen, kuiltjes die minstens tachtig jaar oud waren.
‘Pequeno almoço?’ vroeg ze, naar het tafeltje onder de johannesbroodboom wijzend.
Zijn kennis van de Portugese taal beperkte zich tot ongeveer tien woorden en deze twee waren daar niet bij. Maar hij begreep dat ze hem uitnodigde op een van de krakkemikkige keukenstoelen plaats te nemen en hij knikte. Ze verdween weer in het huis en hij ging braaf zitten, in de hoop dat de stoel niet onder zijn gewicht zou bezwijken. Het was hier overal zo stil dat hij de indrukwekkende boom met zijn enorme bladerkroon en lange, donkere peulen kon horen zuchten onder de last der eeuwen. Het voelde alsof hij aan de andere kant van de aarde terecht was gekomen, waar hij een absolute alien fallen out of space was.

Foto’s Liliane Waanders

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*