De bekentenis van de leeuwin – Mia Couto

Kulumani, een klein dorp in het noorden van Mozambique, wordt in 2008 regelmatig aangevallen door leeuwen, die een aantal dorpelingen verscheuren. In de buurt van dat dorp doen studenten van Mia Couto, die behalve schrijver ook bioloog is, veldonderzoek en om hun kamp − en natuurlijk ook het dorp − te beschermen, worden vanuit de hoofdstad Maputo, in het zuiden van het land, twee jagers gestuurd om de moordzuchtige leeuwen te doden. Geleidelijk aan ontstaat er een conflict tussen de jagers, die een probleem willen oplossen, en de dorpsbewoners, die de leeuwen beschouwen als zielen van hun voorouders. Dat conflict tussen en traditioneel denken dat op een geheel andere, eigen logica is gebaseerd, en de rationele omgang met natuur en gevaren van de eenentwintigste eeuw, neemt Mia Couto als uitgangspunt én thema van zijn roman ‘De bekentenis van de leeuwin‘ (A Confissão da Leoa).

Hieronder een fragment uit deze onlangs in het Nederlands vertaalde roman.

God was ooit een vrouw. Voordat Zij zichzelf uit Haar schepping verbande en nog niet Nungu heette, de huidige Heerser over het Heelal, leek Ze op alle moeders van deze wereld. In die andere tijd spraken we allemaal dezelfde taal van de zeeën, de aarde en de hemelen. Mijn opa zegt dat dat rijk al lang geleden ten onder is gegaan. Maar ergens in ons leeft nog een herinnering aan dat verre tijdperk. Er zijn zekerheden en droombeelden van over die in ons dorp Kulumani van generatie op generatie werden doorgegeven. Wij weten bijvoorbeeld allemaal dat de hemel nog niet af is. Het zijn de vrouwen die nu al duizenden jaren lang die eindeloze sluier weven. Wanneer hun buik rond wordt, komt er weer een stukje hemel bij. Als ze daarentegen een kind verliezen, schrompelt dat stukje firmament weer weg.

Misschien bleef mijn moeder, Hanifa Assulua, om die reden onophoudelijk naar de wolken turen tijdens de begrafenis van haar oudste dochter. Mijn zus, Silência, was het laatste slachtoffer van de leeuwen die sinds enkele weken ons dorp teisterden.

Omdat ze verminkt gestorven was, hadden ze wat er van haar lichaam over was op de linkerzij gelegd, met haar hoofd naar het oosten en haar voeten naar het zuiden. Tijdens de plechtigheid leek mijn moeder te dansen: ze boog talloze malen voorover naar een kruik die ze met haar eigen handen had gemaakt. Ze sprenkelde water over de aarde om haar heen, die ze vervolgens met beide voeten aanstampte, net als wanneer je zaait.

Op de terugweg van de begrafenis was er in de ogen van mijn arme moeder te veel hemel. De weg naar huis bestond slechts uit een paar passen: het familiekerkhof lag aan de rand van het dorp. Hanifa maakte een korte omweg naar de rivier, de rio Lideia, voor het reinigingsbad, terwijl ik achter haar de voetsporen uitwiste die naar het graf leidden.

‘Klop je voeten af, stof houdt van reizen.’

In de gewijde grond van ons kerkhof stond verder een kruis, om aan te geven dat wij anders waren dan de moslims en heidenen. Nu weet ik dat we geen steen op de doden leggen uit ontzag, maar uit angst. We zijn bang dat ze terugkeren. Mettertijd wordt die angst groter dan het gemis.

Alle familieleden hielden zich aan het voorschrift dat de terugweg anders moest zijn dan de heenweg. Toch bleef in mijn hoofd hardnekkig het beeld hangen van Silência’s hoog op de schouders geheven lijk, gewikkeld in witte doeken die wiegden als gebroken vleugels.

Op de drempel van onze deur keek mijn moeder naar het huis alsof ze dat beschuldigde: zo levend, zo oud, zo eeuwig. Ons huis was anders dan de andere hutten. Het was gemaakt van beton, had een dak van golfplaten en bestond uit een woonkamer en slaapkamers. Ook onze keuken was binnen. Op de grond lagen tapijten en voor de ramen hingen stoffige gordijnen. Wij verschilden zelf ook van de andere inwoners van Kulumani. Vooral mijn moeder, Hanifa Assulua, was anders, ze was een assimilado, iemand die die zich aangepast had aan de Portugezen, en de dochter van assimilado’s. Op de terugweg van de begrafenis viel me op hoe knap ze was: zelfs met haar kaalgeschoren hoofd, zoals de rouw voorschreef, overwon haar gezicht het verdriet. Ze staarde me een poosje aan, alsof ze naging hoe dierbaar ik haar was. Ik dacht dat er moederlijke tederheid in die blik lag, maar dat was niet zo. Een ander gevoel tekende haar woorden: ‘Jij zult nooit het verdriet van een moeder kennen.’

‘Mama, alsjeblieft, ik heb net mijn zus verloren,’ zei ik.

‘Je zult nooit een dochter verliezen. God heeft het zo gewild.’

En ze draaide zich om. Haar schoenen had ze al uitgedaan en ze liep door de deur en kroop in bed. Je kunt een dochter begraven, jazeker. Ze had het al eerder gedaan. Maar van zo’n afscheid keer je nooit terug. Niemand schreeuwt méér om de aandacht van een moeder dan een dood kind.

Mijn vader verzocht de klaagvrouwen om ons erf te verlaten. Hij trad binnen in het halfdonker van het huis, boog zich over zijn vrouw en vroeg haar: ‘Waarom heb je je hoofd kaalgeschoren? Wij zijn toch christenen?’

Hanifa haalde haar schouders op. Op dat moment was ze helemaal niets. Het lamento van de klaagvrouwen was opgehouden en ze wist zich geen raad met zo’n grote stilte.

‘En wat nu, ntwangu?’

Net als alle vrouwen uit Kulumani sprak ze haar man aan met ntwangu. Mijn vader heette Genito Serafim Mpepe, maar uit ontzag sprak mijn moeder hem nooit aan met zijn naam. We hadden heel veel overgenomen van de Portugezen, zeker, maar we hoorden toch nog altijd bij Kulumani. Ons hele heden bestond uit verleden. Mijn vader vlijde zich naast haar en sprak tegen haar met een zachtmoedigheid die ze niet van hem gewend was, elk woord was een wolk die de hemel weer heel maakte.

‘Wat nu? Tja, nu… nu, we gaan door met leven, vrouw.’

‘Ik weet niet meer hoe ik moet leven, ntwangu.’

‘Niemand weet dat, maar dat is wel wat onze dochter ons vraagt: om door te leven.’

‘Kom me niet aan met wat onze dochter wil. Jij hebt nooit naar haar geluisterd.’

‘Niet doen! Nu niet, vrouw.’

‘Je hebt mijn vraag niet begrepen: wat doen we met het deel van onze dochter dat we niet hebben begraven?’

‘Daar wil ik niet over praten. We gaan slapen.’

Ze richtte zich half op, leunend op haar elleboog. Haar ogen waren half dicht, als die van een drenkeling.

‘Maar onze Silência…’

‘Houd je mond! Ben je vergeten dat we de naam van onze dochter nooit meer mogen uitspreken?’

‘Ik moet weten welke delen van haar lichaam we hebben begraven.’

‘Ik zei dat je je mond moest houden.’

Zijn stem trilde als een blad: mijn vader ruziede met een hel in hemzelf. De bloederige zak met de stoffelijke resten van zijn dochter droop nog na in zijn geheugen. En opnieuw werd hij overvallen door de onuitwisbare herinnering: het tumult van verschrikte stemmen dat hem de vorige nacht had gewekt. Genito Mpepe was het erf overgestoken met een bang vermoeden van het drama. Kort tevoren had hij de leeuwen rond het huis horen sluipen. Ineens losten het gebrul, geschreeuw en gejammer op in het niets en de wereld zonk in stukken gehakt weg: er bleef geen spaan van over. Om zoveel te kunnen vergeten moet je eigenlijk nooit geleefd hebben.

‘Haar hart?’ vroeg Hanifa opnieuw.

‘Alweer? Ik zei toch dat je je mond moest houden.’

‘Hebben we het hart begraven? Je weet donders goed wat ze met het hart doen…’

Mijn vader haalde diep adem en keek naar de oude kleren die onder het dak hingen. Hij voelde zich niet anders dan die kledingstukken die daar vormeloos en zonder ziel in de leegte vielen. Hij kreeg zijn stem terug, al bijna mild: ‘Je moet maar denken dat er voor een zoon of dochter geen graf is.’

‘Ik wil het niet horen, ik ga.’

‘Waarheen?’

‘Uit de struiken halen wat er nog over is van onze dochter…’

‘Komt niets van in. Je gaat niet van huis weg.’

‘Niemand houdt me tegen.’

Ze zou weggaan, ja, daarheen waar geen mensenpaden meer zijn, haar voeten zouden bloeden, haar ogen zouden branden in het zonlicht, maar ze zou gaan halen wat er over was van Silência, haar eeuwige kleine meisje. Haar man versperde haar de weg en dreigde: ‘Ik bind je vast aan een touw, zoals ze doen met dieren.’

‘Je doet maar. Ik ben al zo lang een dier. Jij slaapt al zo lang bij een dier in bed…’

Daarmee was de zaak afgehandeld: Hanifa sloeg zwijgend haar armen om haar benen, alsof ze zich wilde overgeven aan de slaap.

‘Ga je op de grond slapen?’ vroeg Genito.

Ze strekte haar lichaam uit op de grond, met haar hoofd op een steen. Het was haar bedoeling te luisteren naar de ingewanden van de wereld. De vrouwen van Kulumani kennen geheimen. Ze weten bijvoorbeeld dat baby’s in de moederschoot op een gegeven ogenblik van houding veranderen. Overal in de wereld draaien ze rond, luisterend naar één enkele aardse stem. Met de doden gebeurt hetzelfde: in een en dezelfde nacht – en het kan alleen maar in die ene nacht – krijgen ze het bevel om zich om te draaien in de schoot van de aarde. Dan rijzen er boven op de graven lichtjes op, een werveling van zilverkleurig stof. Als je met je oor tegen de grond slaapt, kun je die omwenteling van de doden horen. Om die reden, waar Genito geen weet van had, weigerde Hanifa bed en kussen. Languit op de grond luisterde ze naar de aarde. Het zou niet lang duren of haar dochter zou van zich laten horen. Wie weet zouden zelfs de tweelingzusjes Uminha en Igualita, die al langer dood waren, haar boodschappen overbrengen uit het hiernamaals.

Haar man ging niet naar bed: hij wist dat hij een lange nacht voor zich had. De herinnering aan het verscheurde lichaam van zijn dochter zou zijn slaap verdrijven. Het brullen van de leeuw zou in hem nagalmen en de uren kapotrijten. Hij bleef een poos op de veranda in het donker staren. Misschien bracht die rust hem kalmte. Maar de stilte is een binnenstebuiten gekeerd ei: de schaal is van de anderen maar wie gebroken wordt ben jij.

Twijfel stemde hem bitter: hoe had dat drama kunnen gebeuren? Zou zijn dochter midden in de nacht naar buiten zijn gegaan? En als dat het geval was, had ze dan een eind willen maken aan haar leven? Of zou de leeuw het huis binnengedrongen zijn, meer als een dief dan als een roofdier?

Plotseling versplinterde de hele wereld: steelse stappen streken door de rust van de struiken. Genito’s hart barstte bijna uit zijn borst. Er gebeurde wat altijd gebeurt: de leeuwen kwamen de resten van de vorige dag opvreten.

De bekentenis van de leeuwin (A Confissão da Leoa)
Mia Couto
Vertaald door Harrie Lemmens
Uitgeverij Querido, 2017
224 blz.
ISBN 9789021404950

Foto’s Ana Carvalho

Meer lezen van Mia Couto? Klik hier voor een fragment uit ‘Vrouwen van as‘ of lees de recensie.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*