Bloemen – Afonso Cruz

‘Jezus Christus dronk bier’. ‘De schilder onder de vaatwasser’. ‘De boeken die mijn vader verslonden’. ‘Niet alle walvissen vliegen’. Dit zijn enkele van de op zijn minst bijzondere titels van de boeken van schrijver, illustrator, cineast en muzikant Afonso Cruz (Figueira da Foz, 1971), een markante figuur in de Portugese literaire wereld die door Mia Couto is bestempeld als “een van de meest creatieve stemmen van de jongste Portugeestalige literatuur”.

Sinds zijn debuut in 2008 heeft Afonso Cruz allerlei prijzen gewonnen, zowel voor zijn illustraties als voor zijn literaire werk. Zo won hij in 2012 de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Time Out-prijs, en werd hem in 2016 de Prémio Fernando Namora toegekend voor zijn roman Flores (‘Bloemen’), waaruit we hier een fragment publiceren. In dit boek volgen we een man die een groot deel van zijn geheugen kwijt is en samen met zijn buurman op zoek gaat naar de ontbrekende puzzelstukjes van zijn verleden. Maar in wezen gaat het hier om een zoektocht naar de ware aard van de liefde en naar wat er van ons overblijft als we ons geheugen kwijtraken.

Ik stond naast de stoffelijke resten van mijn vader, terwijl de restanten van onze gevoelens alle kanten uit schoten. Mijn lichaam fluisterde nog zachtjes zijn naam, alsof die zich in mijn diepste vezels had genesteld. De tranen kwamen niet, ze bleven hangen in een voorkamer van mijn hart of weet ik veel waar tranen precies worden geproduceerd.

Clarisse stond naast mij. We stonden gearmd, ze had haar hoofd op mijn schouder gelegd.

Vanachter mijn zonnebril keek ik naar de mensen op de begrafenis, Carla zag er mooi uit in het zwart, met haar bedroefde gezicht, haar sluike haar en haar korte jurk die haar dijen nauwelijks bedekte, maar daar mocht ik niet aan denken, het was de begrafenis van mijn vader, bovendien is Carla mijn nicht. De dood laat overal sporen achter, op gezichten van mensen, in herinneringen. Mijn moeder riep een paar keer Zé, Zé, Zé, zo heette mijn vader, en toen moest ik een paar tranen wegpinken, niet zozeer om hem, die daar in alle rust dood lag te zijn, maar om het geweeklaag van mijn moeder, dat door merg en been ging, er met veel Siciliaans gevoel voor drama uitkwam, elke Zé die ze riep voelde als een dolkstoot, Zé, Zé, Zé.

Het was zo heet dat het zweet in straaltjes langs mijn rug naar beneden liep, nee, het was geen zweet, het was de dood die met zijn tong aan mijn ruggengraat likte, van boven naar beneden, me naar de grond trok, de warme tong van dat waanzinnige wezen dat ons tot aarde doet wederkeren, dat alles tot aarde doet wederkeren. Ik voelde zijn adem, die naar bloemen rook want zijn adem stinkt niet, zoals je zou verwachten, maar heeft de geur van rozenkransen en margrieten en gladiolen waarmee we kisten en later grafstenen versieren. Alles ruikt naar bloemen, dingen die aan hun eind gekomen zijn ruiken naar bloemen, niet naar verrotting en bederf. Zé, Zé, Zé, riep mijn moeder, en de tong van de dood ging heen en weer over onze rug, zonder te stoppen, met het piepkleine puntje van zijn tong likte hij aan de lichamen van de levenden, zoals iemand die van een drankje proeft.

En terwijl de pastoor het stof deed wederkeren tot stof, slingerde ik allerlei verwensingen God’s kant uit.

* * *

Niet alle tranen zijn hetzelfde. De tranen die opwellen tijdens het snijden van een ui hebben een andere scheikundige samenstelling dan de tranen die je huilt wanneer je je vader begraaft. Alle tranen bevatten vet, antistoffen en enzymen. De tranen die ik huilde op de dag dat ik een schep zand in het gat gooide waarin ze mijn vader hadden gelegd bevatten, behalve deeltjes die je alleen onder een microscoop kunt zien, het immense verdriet van nooit meer samen een fles wijn te kunnen drinken. Uientranen zijn wat anders dan tranen die uit het hart komen. Ik droeg een zonnebril die dag, een Ray-Ban uit de jaren zeventig, met groene glazen en een goudkleurig montuur. Tante Dulce zei dat mijn vader een wonderlijke vent was, een soort tempel van Artemis, en ik zei ja, dat was hij, natuurlijk was hij dat, en daarna kwam oom Henrique met zijn enorme buik, die altijd veel eerder dan hij arriveerde, hij krabde aan zijn kruis voordat hij van wal stak, ja kerel, je vader was een kanjer, een groot bridgespeler, hij kon een konijn en allerlei andere dingen vouwen van zijn zakdoek en dan liet hij dat konijn tot leven komen alsof het een buikspreekpop was. Op mij kwam dat over alsof mijn vader een soort afwijking had, iets waarover hij geen controle had: hij pakte zijn zakdoek, snoot erin en legde er vervolgens een knoop in, waardoor het ding de vorm van een konijnenkop kreeg, dan ging hij gek praten en begon ik te huilen, ik weet niet waarom, maar ik vond het altijd verschrikkelijk, hij joeg me er de stuipen mee op het lijf, ik kreeg het er helemaal warm van, alsof ik een slok jenever had genomen.

Na de lunch, die bestond uit bitoque, biefstuk met ei, in een restaurant recht tegenover de begraafplaats van Benfica, gingen we naar huis, Clarisse, mijn dochter Beatriz en ik.

* * *

De middag zat me min of meer op de hielen, als een roofdier, toen ik de trap afliep om de post te halen. Naast me dook iemand op. De zon scheen recht in mijn gezicht door een raampje in de gevel van het gebouw, waardoor ik niets kon zien, ik hield mijn hand als een soort zonneklep voor mijn ogen en toen zag ik dat het meneer Ulme, de buurman, was. Ik groette hem. Hallo, zei ik, hallo, zei hij, ik kom de post halen, ik ook. Hij leek stukken ouder dan toen ik hem voor het laatst had gezien, een paar maanden geleden. We spreken elkaar erg weinig, hij komt nauwelijks buiten en ik ben niet echt een sociaal mens. Wat een zomer hè, zei ik, de mussen vallen van het dak, het lijkt wel of de aarde in brand staat. Hij glimlachte. Hij had grote lippen en kleine ogen, die schuil gingen onder dikke borstelige wenkbrauwen. Ik weet niet waarom, maar ik had zin om hem uit te nodigen voor een kop koffie. Dat had ik nooit eerder gedaan, terwijl hij al meer dan zeven jaar naast me woont. Zin in koffie? Ja, dat had hij wel.

Toen we de trap op gingen naar boven, liep ik achter hem en zag ik zijn enorme achterwerk heen en weer bewegen. Hij droeg een doorschijnende linnen broek, waardoorheen je zijn onderbroek kon zien. Toen we boven aankwamen, leunde hij tegen de muur om mij langs te laten. Ik opende de deur en vroeg hem binnen.

Ik wees hem de woonkamer, doe alsof je thuis bent, en ging koffie maken.

Toen ik uit de keuken kwam, bladerde hij in een van de pornoblaadjes die ik bewaar in een mahoniehouten achttiende-eeuwse kast. Ik heb een vrij grote verzameling, vooral uit de jaren zestig, zeventig en tachtig van de 20e eeuw.

‘Dat heb ik nou nog nooit gezien’.

‘Wat niet?’

‘Een naakte vrouw.’

* * *

Ik stopte bij de kiosk om een krant te kopen. Van het nieuws werd je niet vrolijk, waarom zou je ook, tonijn die uitsterft, hongersnood die slachtoffers blijft eisen, indianenvolkeren die verdwijnen, uitvallende tanden, malaria, tuberculose, kanker, werkloosheid, vogelgriep, onrust op de beurzen. Overigens hoef je de krant niet eens open te slaan, het nieuws is van de gezichten van de mensen af te lezen. Toen ik thuiskwam, stond de televisie aan en lag Clarisse te slapen op de bank. Ik liep voorbij de logeerkamer, waarvan de deur half open stond, en zag iets waardoor ik helemaal van de kaart raakte. Ik ben niet bijgelovig, maar er is één ding dat ik verafschuw, geen idee waarom, en dat is een hoed op een bed. Clarisse had mijn hoed op het bed gelegd. Terwijl ze dondersgoed weet dat ik daar niet tegen kan.

In de logeerkamer staat een kapstok en daar hang ik al mijn hoeden aan. Ik heb er een heleboel, die ik in verschillende landen heb gekocht, van vilt, leer, wol, uit Marokko, Pakistan, New York.

Ik liet hem daar maar liggen, want Clarisse was vast verstrooid geweest en zou hem daar wel weghalen van die onzalige plek zodra ze het zag (hoewel ik echt niet bijgelovig ben).

 

Vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho (m.u.v. portretfoto)

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*