Onderweg – João Ricardo Pedro | Fragment

De vertaling van de tweede roman van João Ricardo Pedro, Onderweg, ligt sinds 4 juli in de Nederlandse boekenwinkels. Het verhaal begint met een soort oerknal: het treinongeluk dat in 1985 (in werkelijkheid) heeft plaatsgevonden in het noorden van Portugal. Bij dat ongeluk verdwijnt Marta, een briljante, mooie en sportieve studente aan de kunstacademie. Haar jongere broer João probeert het raadsel van haar verdwijning op te lossen. Maar Onderweg is niet alleen maar het verhaal van een dromerige jongen die zijn zus mythologiseert. Net als in zijn debuut Jouw gezicht zal het laatste zijn creëert Pedro een eigen universum, een doolhof van verbijsterende verhalen en personages die beklijven.

Hieronder een fragment uit deze onlangs door Kitty Pouwels vertaalde roman.

 

“Het was kort na tienen. Mijn vader was al weg. Mijn moeder en ik waren thuis, maar het was Silvana die opnam.

‘Ik zal mevrouw even roepen.’

Mijn moeder kwam de kamer binnen in nachtjapon en met een laag klei op haar gezicht. Het was september, de colleges waren nog niet begonnen en ze bleef gewoonlijk de hele ochtend in bed, lezend, rokend en wortelsap drinkend. Ik zat op de grond met een Apachefort, gebouwd op het handgeborduurde Arraiolos-tapijt. De indianenstam, aangevoerd door de wrede Cochise, verschool zich in de canyons van Bushmills en Johnnie Walker, wachtend op het sein om ten aanval te gaan. Toen mijn moeder langs me liep, regende het vlokjes as rond het paard van kapitein Kirby York – in wildwestverhalen het slechtste voorteken.

‘Dat moet een vergissing zijn,’ zei ze. ‘Mijn dochter heeft die trein niet genomen. Ze is in de Alentejo, op vakantie in het huis van een vriendin.’

Gewoonlijk stond er een leunstoel naast het telefoontafeltje. Maar die ochtend had Silvana besloten hem met azijn en zuiveringszout af te borstelen en op het balkon te drogen te zetten, samen met de fluwelen kussens van de zes stoelen van de eethoek. Daar kwam bij dat het snoer van de telefoon niet tot aan de bank reikte, zodat er voor mijn moeder niets anders overbleef dan met de hoorn in haar rechterhand en de sigaret in haar linkerhand voor het raam te blijven staan met haar gezicht naar het Praça de Londres, terwijl ze eraan toevoegde dat ze haar dochter de vorige dag nog had gesproken rond lunchtijd, en dat ze die trein dus onmogelijk genomen kon hebben.

‘Ze belt me elke dag, vanuit een café, want het huis waar ze zit is een vakantiewoning en heeft geen telefoon,’ zei ze.

Om de kleinste mogelijkheid van een vergissing uit te sluiten zag de persoon aan de andere kant van de lijn, wie dat ook mocht zijn, zich genoopt de lijst aanwijzingen die hij of zij bezat op te sommen. Het was een lange lijst.

‘Stop!’ onderbrak mijn moeder hem of haar. ‘Stop, alstublieft! Het klopt dat dat haar naam is, dat ze studeert aan de kunstacademie van Lissabon, afdeling schilderen, en dat al die spullen van haar zijn, maar het is onmogelijk dat ze die trein heeft genomen. Ik verzeker u dat mijn dochter in de Alentejo is, in de buurt van Grândola, in het huis van een vriendin. Ik heb haar gisteren nog gesproken. Vandaag spreek ik haar weer, rond lunchtijd. Dat hebben we afgesproken. Als u me uw nummer geeft, bel ik u zo terug om u te laten weten dat alles in orde is.’

Terwijl ze die laatste zin uitsprak klemde mijn moeder de hoorn van de telefoon tussen haar schouder en haar kin en trok een la open, waaruit ze een pen en een blok blauwe notitieblaadjes haalde. Toen ze zich voorbereidde om op te schrijven wat haar werd gedicteerd, liet ze haar sigaret uit haar vingers vallen, die vlak bij de franjes van het tapijt terechtkwam. Soldaat Jim Steele, op wacht in de noordelijke toren, waarschuwde onmiddellijk kapitein Kirby York en luitenant-kolonel Owen Thursday, die de situatie opnamen door hun krachtige verrekijkers.

‘Momentje,’ zei ze terwijl ze naar de sigaret op de vloer keek.

En toen ze zich bukte om hem op te rapen – een beweging die ze wist uit te voeren met rechte rug, door alleen haar knieën te buigen en haar benen te spreiden – kroop haar nachtjapon omhoog, zodat zowel ik als soldaat Jim Steele als kapitein Kirby York als luitenant-kolonel Owen Thursday als mogelijk de hele cavalerie te midden van een woeste bos schaamhaar haar vlezige schaamlippen kon onderscheiden: een onverwachte, groteske aanblik die me tot de dag van vandaag in mijn ergste nachtmerries overvalt.

‘Wilt u het even herhalen?’ vroeg ze.

Luitenant-kolonel Owen Thursday beval kapitein Kirby York de troepen te verzamelen op de paradeplaats. Er moest een verdedigingsstrategie worden bepaald, de soldaten moesten worden gemotiveerd met beloftes van roem, landerijen in Michigan, zoveel stuks vee, publieke vrouwen, maagdelijke meisjes, een stoet kinderen, goudmijnen, een rustige oude dag aan een kreekje.

‘Ik bel u zo terug.’

Ze hing op. Duwde de sigaret uit. Sloeg een adressenboekje met van die tabbladen open. De letter s. Draaide een nummer. Wachtte.

‘Goedemorgen, spreek ik met de moeder van Sofia?’

Het kleimasker maakte haar gezicht leeg en uitdrukkingloos, anorganisch, mineraal, vergelijkbaar met dat van de plastic soldaatjes die in rijen stonden opgesteld, hun harten versteend door al die veldslagen.

‘Kunt u me zeggen hoe laat ze terugkomt?’

Een koor van getoeter op straat weergalmde door de canyons van Bushmills en Johnnie Walker. De indianenstam rukte op over de dorre vlakte doorkliefd met Arraiolos-kruissteekjes, stil zoals alleen indianenstammen dat kunnen.

‘Ik ben namelijk de moeder van Marta, de vriendin van Sofia die met haar in de Alentejo is, en ik moet haar spreken maar weet niet hoe ik haar kan bereiken. Het is heel, heel dringend!’ Mijn moeder nam de hoorn in haar andere hand. Pakte de pen. ‘Dokter Álvaro? Álvaro, en verder?’

Op het blauwe blaadje stond: Álvaro Maria, Militair Ziekenhuis, cardioloog. Mijn moeder drukte met haar linkerwijsvinger de verbinding weg. Ze hield de hoorn tegen haar borst. Legde hem op de haak. Ze leek te aarzelen over de volgende stap. Haar vingers begonnen te trillen. Ze pakte opnieuw de hoorn op. Probeerde een nummer te draaien. Uit haar hoofd. Ofwel doordat haar vingers trilden, ofwel doordat haar geheugen haar bedroog, vergiste ze zich drie keer. Er werd opgenomen.

‘Madalena, ik moet Francisco spreken. Het is urgent!’

Terwijl ze wachtte tot mijn vaders secretaresse haar doorverbond, legde ze haar hand op het spreekgedeelte en riep Silvana. Ongelukkigerwijze kwam Silvana net de kamer binnen op het moment dat mijn vader aan de andere kant opnam en mijn moeder zei: ‘Ze hebben Marta’s rugzak gevonden bij dat ongeluk van gisteren.’ Alsof de situatie nog niet ingewikkeld genoeg was, zakte Silvana ineen en het was een wonder dat ze niet met haar hoofd tegen de hoek van het tv-meubel terechtkwam. ‘Wacht even, ik geloof dat Silvana is flauwgevallen.’

Stel je nu mijn vader voor, die in de eenzaamheid van zijn kantoor vol juridische dossiers en exotische houtsoorten deze twee schijnbaar los van elkaar staande gegevens probeert te verwerken, wachtend tot mijn moeder de hoorn op het tafelblad heeft neergelegd, twee ferme tikken in Silvana’s ronde, donkerbruine en groene gezicht heeft gegeven, haar naar de bank heeft gesleept, haar met haar rug ertegenaan heeft gezet, is teruggekeerd naar de telefoon en de zin van een paar seconden eerder herhaalt: ‘Ze hebben Marta’s rugzak gevonden bij dat ongeluk van gisteren… Het treinongeluk… Nee, alleen de rugzak, verder niets, in de trein naar Parijs… Haar studentenkaart… Alleen door middel van haar studentenkaart… Ik geloof van niet, ze hadden het alleen over de studentenkaart… niet over haar portemonnee… Haar tekenschrift, haar walkman, cassettes, kleren… Nee, het zat allemaal in de rugzak… Ik weet het niet… Ik weet het niet… Ik weet het niet, Francisco, hoe moet ik dat weten? … Ja, ik geloof dat hij van de politie was, ik heb zijn nummer… Heb ik al gebeld, haar moeder komt pas eind van de dag thuis… Haar naam weet ik niet meer… De hulp zei iets over een oom die als arts in het Militair Ziekenhuis werkt, Álvaro Maria, cardioloog, hij gaat vaker naar Grândola… Het is niet echt in Grândola, daar ergens in de buurt… Ik weet het niet… Dat weet ik niet meer, Francisco! Dat weet ik niet meer! … Die is hier… Ja… Ik weet het niet… Ja.’

Mijn moeder hing op. Ze stapte over Silvana’s voeten heen en liep de kamer uit, om terug te komen met een glas water in haar ene hand en de telefoongids in de andere. Ze gaf het glas aan Silvana. Vroeg of het weer een beetje ging. Ze legde het telefoonboek op de eettafel. Op de tafel stond een vaas met een bos zomerviolieren die ze de dag ervoor had gekocht. Toen ze haar had zien binnenkomen met de bos bloemen, had Silvana gezegd: ‘Kind toch, zomerviolieren zijn bloemen van geesten. Van ronddolende zielen.’

‘Verdienen die zielen dan geen bloemen?’

‘Geef mij maar gerbera’s. Camelia’s zijn ook van die droevige bloemen, net als zomerviolieren. Als deze verwelkt zijn, koop dan gerbera’s of zonnebloemen. Ze zeggen dat de zonnebloem een bloem van gekken is, maar mij doen ze denken aan João Seiça. Herinner je je João Seiça? Die was echt een beetje getikt. Weet je nog dat João Seiça zich helemaal met zonnebloemen behing om Maria Filomena te vragen of ze verkering wilde?’

‘Ja, omdat zij had gezegd dat ze alleen een man wilde die van top tot teen bedekt met goud naar haar toe kwam!’

‘Dat was me d’r een!’

‘Mijn vader vond er niets grappigs aan.’

‘Nee, je vader werd razend. Toch heb ik liever gekkenbloemen dan geestenbloemen. Koop maar geen zomerviolieren meer, want die maken me droevig als de nacht.’

Mijn moeder sloeg de telefoongids open en zocht de letter h op. Ze probeerde de telefoon mee te nemen naar de tafel, maar het snoer was te kort. Ze legde de pen en het blok notitieblaadjes naast de telefoongids. Keerde terug naar de telefoon. Haar vingers trilden. Ze vergiste zich drie keer voor ze erin slaagde het nummer te draaien.

‘Goedemorgen, kunt u me doorverbinden met dokter Álvaro Maria?’

De indianenstam probeerde de vijand voor te zijn en stormde plotseling in galop naar voren. Ze begonnen het fort te omsingelen. De paardenhoeven wierpen een stofwolk op; uit die wolk kwamen pijlen, kogels en demonische kreten.

‘Goedemorgen, kunt u me doorverbinden met dokter Álvaro Maria?’

Vanuit de rij schietgaten in de wachttorens antwoordden de Amerikaanse soldaten met een knetterende kogelregen, maar de kogels gingen dwars door de stofwolk heen zonder dat er ook maar één indiaan werd geraakt.

‘Kunt u hem een bericht doorgeven?’

Luitenant-kolonel Owen Thursday verzocht kapitein Kirby York met hem mee te komen naar zijn verblijf. Terwijl ze erheen liepen, stortte soldaat Jim Steele voor hun voeten neer met een pijl in zijn hals.

‘Dank u.’

Luitenant-kolonel Owen Thursday vroeg kapitein Kirby York of hij de grote meren van Michigan kende. Op dat moment, nu het fort was omsingeld door roodhuiden en de nederlaag van het regiment bijna een feit leek, had kapitein Kirby York moeite het directe belang van die vraag te begrijpen, helemaal omdat het over een zo ver oord als Michigan ging. Toen rolde luitenant-kolonel Owen Thursday een kaart open op zijn bureau en wees de rivier aan die het Saint Clair-meer met het Erie-meer verbond.

‘Weet je welke rivier dit is?’

‘De Detroit, neem ik aan.’

‘Exact. Precies hier, aan deze kant ligt de stad Detroit.’

Mijn moeder ging tegenover me op de vloer zitten. Gelukkig had iedereen het te druk met oorlog voeren en merkte waarschijnlijk niemand dat haar nachtjapon omhoogkroop.

‘En hier…’ luitenant-kolonel Owen Thursday wees het aan met zijn wijsvinger, ‘… ligt het lijk van een jonge vrouw. Ik heb het achtendertig jaar geleden begraven…’

Helaas kon ik de rest van het gesprek tussen de twee cavalerieofficieren niet meer volgen, en ik weet niet eens hoe lang dat gesprek nog duurde, want intussen landde er een regen van pijlen op het houten fort en begonnen twee dikke tranen geulen te trekken in het kleimasker van mijn moeder. Ze leek me iets te willen zeggen, maar kon het niet. Wat had ze me willen zeggen? Welke woorden hadden er tussen ons op dat moment gezegd kunnen worden? Welke woorden zouden er tussen ons voor altijd ongezegd blijven?

Silvana sleepte zich over de vloer. Silvana was ineens een bruin-met-groene schildpad die zich heel traag over de vloer sleepte en een kleverig spoor achterliet. Ze haalde een doekje uit de zak van haar schort en begon het met klei bedekte gezicht van mijn moeder af te vegen. Eerst rond de ogen. Daarna rond de neus. Daarna rond de mond. En naarmate het masker er verder af ging, drong het tot me door dat ik de gelaatstrekken die tevoorschijn kwamen niet meer herkende. Ik had een vreemde tegenover me.”

Ravage op het tapijt.

 

Vertaling Kitty Pouwels
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*