De man uit het blauwe land – Manuel Alegre

Vandaag publiceren we ‘De man uit het blauwe land’ van Manuel Alegre, winnaar van de Prémio Camões 2017. Het verhaal werd vertaald door Piet Janssen en eerder verschenen in literair tijdschrift De tweede ronde.

Niemand wist wie hij was of waar hij vandaan kwam. Hij is van Hier, zei de een. Van Ginds, zei de ander. Een enkele keer insinueerde iemand: misschien is hij van de Overkant. Hij grijnsde alleen maar. Op feestavonden kon hij heel verveeld zeggen: ‘Ik kom uit een blauw land.’

Hij kon Italiaan zijn, Argentijn, Slaaf, Marokkaan, het was moeilijk te zeggen, hij had een bruin gezicht en een paar grijze ogen. Midden september dook hij op, in dat jaar waarin de zomer maar duurde. Hij kwam in de cafés van het Quartier Latin waar de Portugese, Spaanse en Latijns-Amerikaanse ballingen gewoon waren elkaar te treffen. Soms kwam hij alleen, andere keren vergezeld van prachtige vrouwen, bijna altijd helblond, Duitse of Zweedse, altijd andere, nooit zag iemand hem twee dagen achtereen met dezelfde. Het vermoeden rees dat hij betrokken was bij de handel in blanke vrouwen.

Hoe het ook zij, dat mysterieuze van hem oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op iedereen. Er was, zoveel is zeker, vooral van de kant van de Spanjaarden een bepaalde reserve ten opzichte van hem, als ze hem al niet ronduit wantrouwden. Ik denk dat het jaloezie was. Ze verdroegen moeilijk de mannelijke superioriteit, de bijzondere veroveringskwaliteiten van Vladimir, zoals hij zei te heten zonder dat iemand zou kunnen garanderen dat dit zijn echte naam was. Eerlijk gezegd deed het er niet toe. Niemand wist met zekerheid wie wie was, bijna iedereen gebruikte pseudoniemen, sommigen zelfs zonder noodzaak. Het was een soort revolutionair en romantisch snobisme, in die tijd waarin alles met alles verstrengeld raakte, revolutie, liefde, mysterie, avontuur en soms de dood.

Zodoende begon Vladimir langzamerhand deel uit te maken van dat volk dat een som was van vele volkeren. Hij zat met ons onder de bruggen aan de Seine, in nachten waarin soms een flamencogitaar klonk, of een fluit uit de Andes, en minder vaak een weemoedige, trieste Portugese ballade.

Midden oktober toen de bladeren die reeds lang vielen, de boulevards een licht melancholisch aanzien gaven, hield onze man op te komen.  Aanvankelijk was het nauwelijks onderwerp van gesprek. Daarna kwam het gevraag, de onrust, en ontstonden er verschillende theorieën over zijn verdwijning. Ik vermoed dat de legende rond hem toen is begonnen.

Het is gewoon een pooier, zeiden sommigen, met weinig overtuiging. Misschien een spion, suggereerden anderen. Hij was zo knap, zeiden de vrouwen, vooral de Portugese, die meer dan de Spaanse behoefte hadden hun recente emancipatie te bevestigen.

Vreemd genoeg waren het de Spanjaarden, in het bijzonder de Basken, die de verdediging van Vladimir op zich namen. Zij konden op dat moment garanderen, hoewel ze niet uitlegden waarop ze dat baseerden, dat hij binnen de revolutionaire beweging een van de kopstukken was. En verder hielden ze hun mond stijf dicht.

Ze hoefden daar trouwens verder niets aan toe te voegen. In die tijd geloofde men uit noodzaak of uit behoefte om te geloven. We hadden voorbeeldfiguren nodig, grote mysteries, helden, mythen, en een enkele keer martelaren. Af en toe verdween iemand van ons, gevangen genomen bij de grens, gewond in het gevecht, gefolterd in Spanje, gedood in Brazilië. We voelden dan enorme opstandigheid en tegelijkertijd inwendige trots, een van ons schreef elders Geschiedenis, wij maakte deel daarvan uit, in Afrika, in Azië, in Latijns-Amerika, zelfs in Europa, waar toen alleen enkele Basken en Portugezen nog dachten dat de revolutie mogelijk was.

Geen wonder dat we vanaf toen in iedere nieuwe guerrilla-actie de magische hand van Vladimir zagen. Op een dag verscheen er in een Frans tijdschrift een reportage over de guerrillabewegingen in Latijns-Amerika. En meteen zwoeren sommigen van ons dat die ene kerel met die diepzwarte baard, die naast de leider van de Venezolaanse guerrilla Ruben Bravo stond, niemand anders was dan Vladimir, die uit het blauwe land. Anderen (of dezelfden) zwoeren dat ze hem gezien hadden in een documentaire over een oproer van boeren in het Noordoosten van Brazilië. De Basken deden er echter het zwijgen toe, maar toen de Tupamaros hun eerste acties uitvoerden, grijnsden ze, betekenisvol, raadselachtig. Een tijd later kwamen ze aanzetten met een Mexicaans weekblad dat een grote reportage bracht over de Tupamaros.

Mira,’ zei een van de Basken, ‘que te parece?

Het was werkelijk verbazingwekkend. Die blik, die glimlach. Alleen de baard leek te licht van kleur, hoewel de foto nogal onscherp was. Het was het gezicht van een van de stadsguerrillero’s die gevangengenomen waren in Montevideo na de ontvoering van een westerse ambassadeur. Er stond geen naam bij, het onderschrift meldde slechts: ‘Uno de los principales jefes terroristas’.

Ja dat is hem, zeiden allen.
‘Daarom danste hij zo goed de tango,’ herinnerde een Portugese zich die bijzonder weemoedig was aangelegd.

Zo werd Vladimir van held tot heilige en martelaar. Iemand kwam met het idee om een solidariteitsbeweging op te zetten, om misschien een meeting in de Mutualité te organiseren.

Toen het eerste enthousiasme geluwd was, doemden de moeilijkheden op. Solidariteit met wie, dat was het probleem. Niemand wist hoe Vladimir heette en hij zou nu vast wel een andere schuilnaam voeren. ‘Vladimir uit het blauwe land’ kon een titel van een novelle of van een gedicht zijn, maar paste misschien niet bij een solidariteitsbeweging. Vervolgens rezen er twijfels of hij het wel was. De gelijkenis was groot, maar misschien was het toeval en niet meer dan dat. De foto was een beetje bewogen, zekerheid hebben was onmogelijk. Ten slotte kwamen de ideologische verschillen op de proppen. De Latijns-Amerikanen wilden een solidariteitsbeweging voor het hele strijdende continent, niet enkel  voor een gevangene van wie men eigenlijk niet eens zeker wist wie hij was.

‘Waarom alleen met Latijns-Amerika?’ wierp een Portugees tegen die onlangs in Parijs was aangekomen. ‘En de strijd dan van de volkeren van Angola, Guinee en Mozambique?’

‘Het belangrijkste front is Vietnam,’ stelde een oude Catalaan, die van tijd tot tijd, wanneer de verleiding hem te machtig werd, nog eens vertelde hoe buitengewoon de tijd van de anarchistische commune in Catalonië was geweest.

De ene onenigheid na de andere leidde tot nieuwe breuken en schisma’s, met de onvermijdelijke excommunicaties en daaropvolgende hergroeperingen. Vladimir werd niet vergeten, maar het was duidelijk dat de ideologische polemiek hem naar het tweede plan had verwezen. Ideologie boven alles. Het was een tijd waarin het kleine ondergeschikt werd gemaakt aan het grote. Zoals in de oosterse godsdiensten diende het individuele wezen zich van zijn eigen substantie te ontdoen om op te gaan in de grote vreemde substantie: de partij, de klasse, de revolutie. Deze tendens verergerde aanzienlijk met de komst van de maoïsten.  Ik probeerde nog tegen de stroom op te roeien, geholpen vooral door de Basken en Catalanen, die evenmin in staat waren zich van hun eigen individualiteit en libertaire drang te ontdoen. Maar hetzelfde kan ik niet zeggen van sommige landgenoten die misschien te zeer doordrenkt waren van de geest van het Concilie van Trente en van de Contrareformatie.  Nutteloos hen te herinneren aan Antero’s waarschuwing dat wij allen een jezuïet, een fanaticus en een schijnheilige in ons hebben, ook al beschouwen wij onszelf als zeer progressief. Nutteloos Hegels bewering te citeren dat de vrijheid gebaseerd is op het besef dat ieder mens uniek en onvervangbaar is. Honderden citaten kreeg ik van hun kant op me afgevuurd die mij moesten bewijzen dat het sociale zijn het bewustzijn determineert en niet andersom. Ik probeerde nog een andere interpretatie van Marx’ Stellingen over Feuerbach. Ik antwoordde met  de Parijse Manuscripten die niemand van hen gelezen had. Tevergeefs. Ze kruisigden mij  met een marxisme van de kansel en van horen zeggen. Bovendien hadden ze mij betrapt bij het lezen van Camilo, Rilke, Pessoa, Mário de Sá-Carneiro, Camus, en vooral Camões. Men begon mij te verdenken van onvergeeflijke ketterijen. Ik had een immens heimwee naar die september toen een lauwe bries de bladeren meevoerde en wij weemoedige liedjes zongen aan de oevers van de Seine. De harmonie was veranderd in disharmonie. Iets had de plaats ingenomen van de zorgeloosheid, van het avontuur en van het mysterie waar Vladimir een symbool van was geweest, telkens wanneer hij verschenen was met zijn helblonde metgezellinnen die heimelijk begeerd werden door de Spanjaarden.

Een tijdlang bleef ik in de Select Latin komen. Maar de scheuring was definitief. Samen met enkele Basken en Catalanen kwam ik voortaan in de Dôme, op Montparnasse. We spraken over Antonio Machado, Lorca, Oliveira Martins, hun geliefde schrijvers. Wanneer we te veel dronken, kwamen we onveranderlijk uit op Lope de Vega. Quien mató al Governador? Fuenteovejuna. Y quien es Fuenteovejuna? Todos a la una.

Af en toe herinnerden we ons Vladimir. Wie was hij toch? Zou hij echt gevangen zitten in Montevideo?

Langzamerhand ging ieder zijns weegs. Het grote schisma breidde zich uit, er kwamen nieuwe breuken, die geheeld werden, en nieuwe excommunicaties, die ongedaan gemaakt werden. Groepen vielen uiteen en er werden nieuwe gevormd, men wisselde van stamtafel, van stamcafé. Sommigen vertrokken, anderen arriveerden, vooral uit Portugal dat nu het grootste contingent leverde, met zijn deserteurs uit de Afrikaanse oorlogen. Ook ik vertrok ten slotte.

Twee jaar later was ik in Cairo, om deel te nemen aan een conferentie over de bevrijdingsbeweging in Afrika. Ik liep langs de Nijl en dacht aan prins Dom Pedro das Sete Partidas. Ook hij was daar geweest. Evenals hij was ik een dolende Portugees, evenals hij ervan beschuldigd niet te willen dat mijn land van de regen in de drup geraakte. Dat was een goede gedachte: waarom, op de conferentie, de kritiek op de koloniale oorlogen niet baseren op die oer-Portugese politiek van consolidatie (tegenovergesteld aan die van handel en expansie) waar Dom Pedro de eerste verdediger van is geweest?

Ik bezocht de piramiden en liet me bekoren door de sfinx. Vanuit zijn holle oogkassen grijnsde de tijd mij ironisch aan: mij, arme sterveling, die ertoe veroordeeld was te worden zoals het zand van de woestijn, stof, en niet meer dan stof.  Ik geloof dat ik me nooit zo broos , zo vergankelijk, zo tijdelijk heb gevoeld als op dat ogenblik waarin ik de tijd en de eeuwigheid zag in de lege oogkassen van de sfinx.

Daarom ril ik nu nog als ik me de grijns herinner waarmee iemand mij, toen ik in de conferentiezaal terugkwam, aanstaarde, twee rijen voor de mijne. Het was dezelfde grijns als van de sfinx. Hij draaide zich om en keek me aan. Ik voelde een schok, ik kon het niet geloven, maar er was geen twijfel mogelijk, hij stond al op en gaf me een teken. We omarmden elkaar op de gang.

‘Vladimir.’
‘Abdul,’ verbeterde hij.
Ik vroeg hem waar hij geweest was. Hij antwoordde in het Engels, alsmaar grijnzend: ‘Over de bergen, in een blauw land.’
Ik vertelde hem de geschiedenis van zijn eigen legende en vroeg hem nadrukkelijk of hij wel of niet die gevangen guerrillero in Montevideo was.
‘Wie weet. Montevideo is een blauwe stad.’
En meer kreeg ik niet te horen.

Hij maakte deel uit van de Palestijnse delegatie en ’s avonds, op de receptie aangeboden door Nasser (die grote ogen had, als van een koningsadelaar), verscheen hij aan de zijde van Arafat.  We herinnerden ons Parijs en de gemeenschappelijke vrienden, we lachten over de machistische jaloezie van de Spanjaarden.

‘En je vrouwen?’ vroeg ik hem. ‘Nu je Abdul bent, zul je wel een harem hebben.’
‘Ik ben als de indianen,’ zei hij, ‘ten tijde van oorlog praktiseer ik de onthouding.’
‘Ik geloof je verhaal niet, jij bent geen Palestijn.’
‘Wie weet,’ antwoordde hij, ‘ik heb je al eens verteld dat ik uit een blauw land kom. Dat kan Palestina zijn. Palestina is een blauw land.’

Later die avond overhandigde hij me een gedicht, dat Palestina heette. Het was in het Portugees geschreven.

Er is een naam om te schrijven
Tussen de ene wond en een andere
Een naam omdat er geen andere
Plaats is voor het leven

Er is een naam om te zeggen
Waar enkel dood bevolen wordt
Een naam omdat er geen andere
Naam is voor het land

Er is een naam om voor te sterven
Tussen de ene straathoek en de andere
Een naam die geboren worden zal
Te midden van belegering en ruïne

Een naam omdat er geen andere
Droom of bestemming is
Dan de drang te zijn
Palestina

Ik was  in de war. Alleen een Portugees zou dat gedicht hebben kunnen schrijven. Het was geen vertaling. Het was oorspronkelijk Portugees. Dat zei ik tegen hem.

‘Je vertelt me toch niet dat je Portugees kent of dat je Portugees bent.’
‘Wie weet. Portugal is ook een blauw land.
En verder zei hij niets.

Ik moet toegeven dat ik me ergerde. Slechts het respect voor de regels der samenzwering hield me tegen om een scène te maken. Het zou een kwestie van onfatsoen zijn geweest om op wat voor manier dan ook te proberen hem te dwingen een tipje van de sluier van zijn mysterie op te lichten.

En zo gingen we uit elkaar. Hasta siempre, zei hij. Tot ooit, antwoordde ik.

Maanden later wandelde ik in Algiers door de Rue Didouche Mourade, nadat ik Francesco  Rosi’s film had gezien waarin  de naamgever van de straat en pionier van de Algerijnse revolutie, die vermoord werd in zijn cel, ten tonele wordt gevoerd. Ik dacht aan de broosheid van het menselijk bestaan en aan de tijdelijkheid van de macht en wat al niet meer en herinnerde me het verhaal dat me door een van mijn Algerijnse vrienden verteld was over zijn ontmoeting met Didouche Mourade. Dat was in het prille begin geweest, het Front de Liberation Nationale speelde in de publieke opinie nog maar nauwelijks een rol, maar Didouche was al een van de door de politie meest gezochte personen. Toentertijd  was het volk nog niet direct betrokken bij de bevrijdingsstrijd, de revolutionairen leefden niet als vissen in het water en de mensen van het verzet hadden een buitengewoon hard leven. Op een dag trof mijn vriend, die officier in het Armée de Liberation Nationale zou worden, Didouche Mourade aan terwijl deze een dutje zat te doen op een bank in het plantsoen  van het plein dat tegenwoordig Place des Martyrs heet. ‘Hij leek wel een bedelaar,’ zei hij tegen me, ‘zoals hij daar  zat, ongeschoren, het overhemd gescheurd, slaperig, hongerig. Ik voelde een enorm medelijden, maar plotseling begreep ik: zoals hij op dat moment was, juist zo , op die manier, was Didouche Mourade al Algerije.’

Dat verhaal is me altijd bijgebleven. Daarover peinzend, ik had tevoren De slag om Algiers gezien, liep ik de Rue Didouche Mourade omhoog, toen ik plotseling oog in oog stond met Vladimir, alias Abdul, die nu een safari-jasje  droeg en vergezeld werd door een Angolese dichter met wie ik bevriend was.

Hij groette me broederlijk, in het Frans. De Angolees verbaasde zich.
‘Kennen jullie elkaar?’
‘Ik heb nog met hem geknikkerd,’ antwoordde ik hem in het Portugees.
‘Dan kent hij Albuquerque toch zeker wel?!’ zei Vladimir, ex-Abdul, en nu klaarblijkelijk Albuquerque, en hij gaf me een knipoog.

Ik haalde mijn schouders op en lachte. Mij kon niets meer verbazen, niet eens als hij me zou zeggen dat hij heette zoals ik en dat niet hij het was maar ik. We spraken af in een van de restaurants van de Pêcherie, aan de haven, vlakbij de ingang van de Kasba.

Toen hij om een uur of acht kwam (het was in april, als ik me niet vergis), trilden de lichten al op de boten die voor anker lagen, en niet op de admiraliteit, in de verte, links. De mensen wandelen op het plein voor de moskee, of gingen zitten op de terrassen van de cafés, speelden domino en dronken muntthee. Het rook naar Middellandse Zee en naar gebakkenvis. Af en toe kwam op een bries vanuit de tuinen in de Kasba een geur van jasmijn. Het was een van die schemeravonden in Algiers die me altijd in een half serene, half nostalgische stemming brachten. Hier had Cervantes veertien jaar in gevangenschap doorgebracht. Misschien dat hij op avonden als deze ook gedacht had aan de zonsondergang ergens in La Mancha. Dat troostte mij in uren van schemer en weemoed.

Ik had  al een halve fles redelijk koele Medea rosé op, toen Vladimir eindelijk aanschoof.
‘Hoe kom je nou bij Albuquerque,’ brandde ik los, zodra we een garnalenspies besteld hadden.

‘Dat is mijn hommage aan het Portugese Imperium. Albuquerque was de grootste,’ zei hij, ‘de enige die een droom had en een strategie. Ik geef toe dat hij me fascineert: zijn passie voor Goa, zijn obsessie voor Hormoez, zijn plan de loop van de Nijl te veranderen en de Kaäba mee naar Lissabon te nemen. Als ze hem hadden laten doen wat hij wilde, zou de wereld er anders hebben uitgezien. Aan mij is nu de taak het tegenovergestelde van zijn droom te realiseren,’ besloot hij en hief het glas, misschien op mijn gezondheid, of op onze vriendschap, of ter nagedachtenis van Afonso de Albuquerque.

‘Je hebt studie van ons gemaakt.’
‘Een beetje wel, ja, van de geschiedenis van het Imperium. Overigens weet jij even goed als ik dat het niet mogelijk is de wereld te veranderen zonder de geschiedenis van het verleden te kennen en in zekere zin om te vormen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Bijvoorbeeld, toen jij de piramiden bezocht, ervoer je, zoals je me eens vertelde, de extreme vergankelijkheid van het leven.’
‘Ja,’ erkende ik. ‘En dus?’
‘Nou, dat is een typisch westerse houding en impliceert een ernstige verminking van de Geschiedenis.’
‘Kom nou,’ reageerde ik verontwaardigd.
Maar hij bleef erbij.

‘Jawel,’ zei hij, ‘jij dacht over de mens, over het leven en de dood in metafysische, abstracte, individualistische termen. Alsof die monumenten gebouwd zijn om vorm te geven aan jouw persoonlijke idee van de eeuwigheid. Toen ik daar liep, zag ik daarentegen de Geschiedenis, de slaven, de zweep, de onderdrukking, de onderwerping van de ene mens door de andere.’

‘Bravo, Fanon zou het niet beter kunnen zeggen.’
Maar hij gebaarde dat hij de confrontatie niet zocht. We schonken de glazen nog eens vol, bestelden een fles bij, we hadden een mooie avond voor de boeg.
‘Een ding snap ik niet,’ zei ik tegen hem.
‘En dat is?’
‘Jij bent ook een westerling.’
‘Maar ik ben Albuquerque.’
En hij barstte in lachen uit. We dronken nog een glas.
‘Ik heb een cadeautje voor je,’ zei hij.
En hij haalde uit zijn zak een boekje van een dichter die ik toen nog niet kende: Wallace Stevens.
‘Een Amerikaan, hij heeft een van de mooiste gedichten van de moderne poëzie geschreven,’ en onderwijl bladerde hij zoekend door het boek. ‘Kijk, The Man with the Blue Guitar, het bestaat uit verscheidene canto’s, prachtig.’

Hij las enkele verzen.

They said “You have a blue guitar
You do not play things as they are.

The man replied “Things as they are
Are changed upon the blue guitar.”

Ik bedankte hem, ontroerd, ik weet niet of het door de verzen was, of door het gebaar.
‘De man van de blauwe gitaar,’ mompelde ik bijna alleen voor mezelf.
‘Die man ben ik,’ zei hij in vlekkeloos Portugees. Hij was ernstig.

Ik had al geleerd hoe ik met hem om moest gaan. Daarom toonde ik niet de minste verbazing, ervan overtuigd dat dat de beste manier was om hem te verleiden tot een beetje meer openhartigheid.

‘Het is een boek dat ik steeds bij me heb,’ voegde hij eraan toen. ‘Ik wil dat je het houdt.’
Hij pauzeerde, keek naar de zee.
‘We moeten onze vrienden datgene geven waar we zelf het meest van houden,’ zei hij.

Ik had het gevoel dat hij zin had om te praten en daarom zweeg ik en liet hem van de spies en de Medea genieten. Enige minuten aten en dronken we in stilte. Maar ik had me niet vergist. Even later nam hij de draad weer op, opnieuw in het Frans.

‘Ik ben in Angola geweest.’
‘Zo,’ zei ik, op een zo neutraal mogelijke toon.
‘Ja, Angola is een blauw land.’

En hij glimlachte. Hij keek weer naar zee, daarna vervolgde hij: ‘Het is moeilijk. Angola is erg groot, toegang krijgen tot het noorden valt voor de MPLA niet mee, vanwege de stellingname van de Kongolezen. Maar het volk daar is strijdbaar.

Hij nam een slok koffie en stak een sigaret op.

‘Ik zal je een geheim verklappen:  er komt revolutie in Portugal. Vroeg of laat zal een deel van het leger in opstand komen. Amilcar Cabral heeft gelijk: de bevrijdingsstrijd is een culturele daad. En, volgens mij, in een dubbele betekenis. Door zichzelf te bevrijden, haalt het onderdrukte volk de onderdrukker over om zichzelf ook te bevrijden. In het Portugese geval is dat heel duidelijk, gegeven de aard van het systeem. Het proces van nationale emancipatie dat zich bij de volkeren in de koloniën voltrekt, zal in Portugal leiden tot de val van het regime. Wat ik je zeg, er komt revolutie in jouw land en die revolutie zal Europa en Afrika schokken.’

Er klonk in zijn stem grote overtuiging door. Ik rilde, en ik weet niet waarom, maar ik geloofde hem. Het was bijna een profetie, iets dat de kracht had van het lot.

Hij vertrouwde me toe dat hij de volgende dag vertrok, maar zei me niet waarheen. We wandelden nog een beetje, waagden ons  zelfs in de straten van de Kasba, herinneringen ophalend aan gemeenschappelijke vrienden, aan de goeie ouwe tijd in Parijs en aan die kleine voorvalletjes die de basis vormden van een veeleisende vriendschap die altijd moest balanceren op het dunne koord tussen intimiteit en afstandelijkheid.

Tijden later deed het gerucht de ronde dat Che Guevara in Bolivia zou zijn. Ik had hem tijdens zijn korte verblijf in Algiers leren kennen en dacht af en toe terug aan wat hij me toen had gezegd: No te vayas en Europa, chico, Europa es una puta vieja.

Toentertijd was men zeer gefascineerd door de Latijns-Amerikaanse guerrillabewegingen. Sommigen droomden ervan om van de Serra da Estrela een Portugese Sierra Maestra te maken. Dat kwam niet zo zozeer voort uit de wil om tot revolutie te komen, maar vooral uit zucht naar avontuur en verlangen naar vrolijkheid. De berichten over de aanwezigheid van Che in Bolivia veroorzaakten dan ook grote opwinding. Een van de onzen was elders midden in de wildernis. Soms declameerde iemand: De grote mensheid zei basta en ging op pad. Men droeg een pet, had lang haar en geloofde dat  iedere guerrilla-actie noodzakelijkerwijs uitmondde in een triomferende revolutie. Deze of gene zei wel eens waarschuwend dat Cuba de uitzondering was geweest en niet de regel. Maar de generatie van toen leefde vooral swingend op het ritme van haar eigen enthousiasme.

Achter de bergen ligt een blauw land, zei Vladimir soms. Wie weet was hij nu in een guerrillakamp, hoog op een berg, ergens in Bolivia.

In oktober 1968 was ik opnieuw in Parijs. Daar kreeg ik het bericht van de dood van Che. In de kranten verscheen vervolgens een foto van hem als Christus Guerrillerus, zoals later een dichter hem zou bezingen. Wanneer ik dat gezicht met die half geloken ogen goed bekeek, dan zag ik soms, dat moet ik toegeven, Vladimir en niet Che. Ik durfde dat tegen niemand te zeggen, maar op een dag ontmoette ik een vriendin die ook de man uit het blauwe land goed had gekend. Ik kon geen weerstand bieden aan de verleiding en vroeg: ‘Wat vind jij?’ En ik liet haar de foto zien.

‘Ik weet wat je zeggen wilt, ik had dezelfde twijfels. Maar nee. Ik heb hem daarna nog gezien. Hij was niet in Bolivia.’

Ze liet verder niets los en ik drong niet aan. Maar ik heb nooit die onheilspellende foto kunnen bekijken zonder te huiveren. Ik wist nu wel dat het Che was, maar ik kon ook zweren dat het ook Vladimir was.

Vraag me niet waarom. Er zijn dingen die niet uit te leggen zijn.

In de lente van 1974 was ik opnieuw in Algiers. Er was veel veranderd: Amilcar Cabral was dood. Allende ook. Met hen was er iets in ons gestorven. Geen overwinningsliederen, geen triomfmarsen in de Afrika’s en Amerika’s van onze verbeelding. Ballingschap, gevangenschap, oorlog. En de tijd die voorbij ging en niet voorbij ging.

Op melancholische middagen, wanneer ik wandelde in Bab-El-Qued, aan zee, dacht ik af en toe terug aan de laatste ontmoeting met Vladimir. Alsof het gisteren geweest was, alsof het nooit geweest was. Mijn eigen leven leek me een fantastische vertelling en ik vroeg me af of we niet allen verzonnen personages waren. Maar daar lag, geurend naar pannenkoeken en munt, de Middellandse Zee, met zijn schepen, zijn mensen en zijn blauw, dat blauw dat misschien het laatste vaderland was geweest van Teixeira Gomes, in zijn toevluchtsoord in Bejaia.

Hoe lang nog? Veertien jaar had de gevangenschap van Cervantes geduurd, dertien en tit aan zijn dood, de ballingschap de ballingschap van de Portugese ex-president. En ik?
Op de ochtend van de vijfentwintigste april werd ik uit mijn slaap opgeschrikt door een rinkelende telefoon.
‘Lissabon is ingenomen,’ zei een stem heel ver weg.
Ik vroeg wie hij was.
‘Er is revolutie buiten op straat,’ zei de stem, ‘er is revolutie in de straten en jij ligt in bed.’
‘Met wie spreek ik?’
‘Het doet er niet toe wie er spreekt, maar wat er op dit moment gebeurt.’
Die stem: ik kneep me hard in mijn arm om er zeker van te zijn dat ik niet droomde.
‘Vladimir?’
‘Lissabon is ingenomen,’ herhaalde de stem, ‘de overwinning is zeker, ik heb het je gezegd.’
‘Hou op met die flauwekul, waar ben je?’
‘Hoezo flauwekul, ik ben nooit zo serieus tegen je geweest, Lissabon is een blauwe stad.’
Er was geen twijfel meer mogelijk, dat kon alleen hij zijn.
‘Waar ben je?’ schreeuwde ik bijna.
‘Elders, onder andere hemelen.’

Tot op de huidige dag weet ik niet of de verbinding verbroken werd of dat hij ophing. Van Vladimir uit het blauwe land heb ik nooit meer iets vernomen.

 

Uit: O Homem do País Azul,
Publicações Dom Quixote, Lissabon, 1989
Manuel Alegre

Vertaling Piet Janssen
Foto Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*