Brief uit Lissabon – Luís Vaz de Camões

Portugals grootste dichter, Luís Vaz de Camões (1524-1580) is onsterfelijk geworden door zijn heldendicht De Lusiaden. Hij was goed thuis in de niet altijd even onberispelijke mores van de stad die hem zo na aan het hart lag, Lissabon, waar hij gevangen zat en waaruit hij lange tijd verbannen werd. Om zijn sterfdag, 10 juni, tevens Portugals nationale feestdag, te herdenken, publiceren we hier een brief van zijn hand met een kleurrijke schildering van het bandeloze stadse liefdestheater, afgezet tegen de weldadig vredige rust van het bucolische leven.

Brief uit Lissabon aan een vriend

Gisteren werd mij een brief van jou overhandigd, iets zo ongewoons dat het mij met de opperste verbazing en vreugde vervulde: eindelijk vernam ik iets van degene van wie ik dat zo vurig wenste; maar ook hiermee zul je de vergetelheid niet goedmaken waarin je mij hebt gehuld door me niet te schrijven voor je vertrek. Tussen al het nieuws dat je me stuurt, zag ik dat je hoog opgeeft van het landleven, met zijn schone water, zijn hoge bomen, heerlijke lommer, stromende bronnen, zingende vogels en andere dingen die het leven zalig maken, quae vitam faciunt beatam. Ik zal niet ontkennen dat ik daarom jaloers op je ben, en evenmin dat je er ook weer niet zo heel veel mee ophebt, want je zegt dat je het nu al beu bent.

In ruil voor jouw nieuws stuur ik je nieuws van hier, dat zozeer verschilt van dat van jou, lees maar.

Als eerste vertel ik je dat de mensen zich hier richten naar de wereld, wat bij jou niet gebeurt; want, terwijl je daar de akkers moet bezichtigen, bomen enten, hoefijzers spijkeren, nagaan of de rupsen de wijnranken niet wegvreten, lachen om de rustieke woorden van de herders en luisteren naar niet-gespeelde liefde, moeten de lui hier hun leventjes zodanig enten dat hun werk bloeit, want de rups van de kwade tongen vreet niet aan de wijnranken van het leven der anderen, en altijd het juiste woordje klaar hebben om te praten met iemand die zich daarom prijst, iets wat in mijn ogen een grootse prestatie is: je richten naar gespeelde liefde, waar jouw herders geen last van hebben.

Je snapt het meteen als ik je vertel dat je hier dames hebt die door hun omgang met talrijke mannen zozeer dame zijn dat ze de ene een lief gezichtje voorhouden omdat ze hem mogen, en alle andere geen nors gezicht tonen omdat ze hen niet onaardig vinden.

Je kunt het vergelijken met een kameleon, die Onze-Lieve-Heer zo heeft geschapen dat hij de kleur kan aannemen van elke omgeving waarin hij terecht komt. Rondom elk van die dames zul je altijd een half dozijn sukkels zien, stuk voor stuk zo zelfbewust dat ze er een eed op durven doen dat zij de uitverkorene zijn. Zie ze daar staan, leunend op hun zwaard, hun hoed diep over hun ogen en domheid tot op hun enkels, kop tussen de schouders, korte cape, lange benen; nooit ontbreekt het goudkleurige gevest dat je van verre toe glinstert. Als ze in de zon lopen spiegelen ze zich aan hun schaduw, en als ze zich goed voelen zeggen ze dat Narcissus volkomen gelijk had verliefd te worden op zichzelf. Lopen doen ze wijdbeens, met hun schoenen naar binnen gekeerd, ze hebben altijd een toepasselijk gedicht in hun mouw, zeggen weinig, en niets dan zuchten en jammeren in hun gesprekken over wat bij de ernst van de liefde hoort. Onder hen doen koppelaarsters hun werk, zoals daar zijn: lieve woordjes, een glimp van hoop, valse boodschappen. Of ze spreken door de kier van de deur: waarom ze niets heeft laten horen, ze was ziek, haar moeder hield haar in het oog. Want dat is het aas waarmee ze hun grijpstuiver verdienen.

En je hebt andere dames hier die niet even knap mogen zijn als Helena maar het wel hoog in de bol hebben, zoals van die kwezels uit de dominicanenkerk en andere die het meer houden met de jezuïeten. Het zijn nette weduwes of getrouwde vrouwen wier man in Afrika zit; om die reden zie je ze – de eerste soort om te hertrouwen, de tweede om God te smeken dat Hij hun echtgenoot terugbrengt, ook al vluchten ze voor zijn thuiskomst – steevast op woensdag in de Sint-Barbara, op vrijdag in de Onze-Lieve-Vrouw-ten-Berge en op zaterdag in de O.L.V. van Genade.

Sommige van deze dames zeggen dat ze vasten op water en brood, andere dat ze helemaal niets eten, en bij die laatste heb je er die zo goed gevuld zijn dat ze een schip in drie dagen naar India kunnen laten varen. Grote hoeden en serge habijten, rozenkrans in de hand en slinkse blik; en onder die habijten zul je duur haartooisel, sierlijke manteltjes en hagelwitte strakke hesjes aantreffen.

Ze maken geen gebruik van zachte muziek of glimmende kledij, maar van steekpenningen en gouden munten, want de aap danst voor geld en alleen woorden bouwen geen huizen.

De cupido’s van deze dames zijn niet van het goedgeklede soort, dat met woorden flirt, maar dragen mantels vol fronsels en wambuizen met een enorme gesp op hun navel, en ze hebben geen schoenen aan. Dezen doen zich voor als verstandig en spelen mooi weer.

Uit hetzelfde deeg gekneed zijn de franciscanenbroeders, die volvet rondbanjeren in afgezakte broeken, en die van het goudsmedengilde, die te werk gaan met biechtstoelpraatjes en die zich niet alleen op adellijke dames richten, want alle vrouwtjes hebben een luisterend oor nodig.

Over dat andere slag dames, dat je kunt huren, valt een heleboel te schrijven. Sommigen zeggen dat hier geen misverstand of malversatie mogelijk is, aangezien je bij hen gewoon betaalt en opstapt. Ik zeg echter dat het precies andersom is, want je ziet een gezichtje met de kuisheid van een wellustige Lucretia, een albasten voorhoofd, ogen waar je in verdrinkt, een neusje om in te bijten en een aanminnig tuitmondje, maar o wee, daaronder verborgen… En als ze zeggen dat ze degenen die hen bezitten uitkleden, neem dan van mij aan dat dat een fabeltje is, want ik heb een hoop van die lui gezien zonder een rooie cent, en nu zie ik ze met muilezels en paarden.

En dan nu iets over een paar vriendinnen van je.

Maria Caldeira is vermoord door haar man. Een groot verlies voor het volk, want ze voedde heel wat weesjes op en verrijkte festijnen in Lissabon, en verrichtte daarnaast veel andere goede werken. En om te voorkomen dat ze lang alleen moet blijven in het hiernamaals, is je vriendin Beatriz da Mota ook daarheen vertrokken.

Sommige van deze dames waren bang voor deze zondvloed en trokken een toren van Babel op waarin ze zich verschansten; en ik verzeker je dat daar al zoveel talen worden gesproken dat hij binnenkort in elkaar stort, want je ziet daar moren, joden, lui uit Madrid en Leon, broeders, pastoors, huisvaders en vrijgezellen, jonge snaken en aftandse grijsaards.

(…)

Lijkt je het leven dat je beu bent, die weldadige rust, slapen in de lommer met op de achtergrond een kabbelende beek, luisterend naar het welluidende fluiten van de vogeltjes en in je armen Petrarca’s sonnetten en Vergilius’ herdersdichten – lijkt je dat niet veel beter?

Als dat niet zo is, kom dan maar ruilen met mij en je zult gauw genoeg merken wat goed is.

Ik kus uw hand,
Luís Vaz de Camões

Vertaling Harrie Lemmens
Foto’s Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*