Heden zult gij – Bruno Vieira Amaral

 

In april van dit jaar verscheen de nieuwe roman van Bruno Vieira Amaral, Hoje estarás comigo no paraíso (‘Heden zult gij met mij in het paradijs zijn’), over de moord op zijn neef João Jorge Rego in 1985. Het boek is geen reconstructie van de feiten, maar een zoektocht naar de waarheid achter de nooit opgehelderde koelbloedige moord op een jonge Angolees uit een achterstandswijk, aan de hand van verhalen van familieleden en dorpsgenoten. Dit ruwe materiaal wordt door de auteur bewerkt tot een roman waarin de gespannen verhouding tussen feit en fictie met oog voor detail wordt beschreven.

João Jorge speelde ook een rol in As Primeiras Coisas (‘De eerste dingen’), de debuutroman van Bruno Vieira Amaral waarvan we al eerder fragmenten publiceerden. In deze nieuwe roman wordt de geschiedenis van Joãozinho Treme-Treme verder uitgewerkt. Hieronder publiceren we een fragment van deze nog onvertaalde roman.

Fragment uit Hoje estarás comigo no paraíso

Voor mij kwam João Jorge tot leven in de nacht dat ze hem vermoordden, in een volkstuin op weg naar Vila Chã. Mijn grootmoeder van moederskant zei dat ze die nacht geschreeuw hoorde in de buurt van het kerkhof en dat ze, nog voordat ze nieuwsgierig en geschrokken en zonder het licht aan te doen op het balkon was gaan kijken, meteen wist dat er iets ergs was gebeurd. Tot het eind van haar leven bleef ze, telkens wanneer ze het over João Jorge had, herhalen hoe het die bewuste nacht was gegaan. Dan ging ze naar het balkon, wees ze naar de plaats waar vroeger de volkstuinen waren en zei ze dat ze in die bittere nacht, toen ze de afwas stond te doen, ijzingwekkend geschreeuw had gehoord, alsof er varkens werden geslacht. De volgende dag – dat herinner ik me heel goed, ik zie haar nog voor me staan met haar boodschappentassen, hijgend en met een rood aangelopen gezicht – wachtte ze niet eens tot ze binnen was om het me te vertellen: “Ze hebben je neef, João Jorge, vermoord.”

Mijn grootmoeder associeer ik met ongelovigheid. Niet in de zin van niet gelovig zijn – op een bepaald moment in haar leven als niet-praktiserend katholiek bekeerde ze zich tot Jehova’s Getuigen en tot op de dag van haar dood in een kamer van het Hospital dos Capuchos bleef ze trouw aan haar God, ook al was ze blind en kon ze niet meer praten – maar in de zin van alles ongeloofwaardig vinden, alsof de werkelijkheid met opzet een bepaalde wending nam om haar voor de gek te houden. Dat gold vooral voor rampspoed die voor haar onbegrijpelijk was omdat het slachtoffer erg jong was, of erg mooi of erg aardig. In het magische denken van mijn grootmoeder hadden slachtoffers altijd een eigenschap waardoor ze bijzonder medelijden verdienden. Iedereen maakt wel eens wat mee, zowel in goede als slechte zin, maar mijn grootmoeder kon maar moeilijk accepteren dat bepaalde mensen op een bepaald moment nare dingen meemaakten. Een ongeluk kon iedereen overkomen, iedereen werd wel eens ziek en iedereen ging uiteindelijk dood, maar dat onze buurman van de eerste verdieping onverwachts was gestorven terwijl hij zich aan het scheren was, was een onverklaarbaar mysterie omdat er volgens haar geen directe en plausibele oorzaak was. Voor mijn grootmoeder was er maar één aannemelijke verklaring voor dingen: iets was óf een straf óf een beloning. Wat niet in deze logica paste, geloofde ze gewoonweg niet. Haar ideale wereld was een roerloze tuin der lusten, waarin niets gebeurde. Wanneer iemand doodging, dan verdween hij en met hem verdween ook de herinnering aan hem, zonder verdriet, zonder pijnlijke vragen. Waarom hadden ze João Jorge vermoord? Hoe kon iemand in staat zijn om een mens zo, in koelen bloede, te vermoorden? Als dit allemaal niet was gebeurd, als João Jorge nog in leven zou zijn in plaats van een zwarte herinnering die was ontstaan tijdens een winternacht, dan zou mijn grootmoeder eerst hebben willen gaan, rustig weggevoerd willen worden door een veerman naar een verafgelegen oord, waar ze dood noch levend zou zijn, niet aanwezig maar ook niet vergeten.

(Ik sta met mijn moeder vlakbij het café van Manel. Er komt een hele lange man op ons af. Misschien is het mijn vader. In die tijd was mijn vader iemand die er soms wel en soms niet was en in mijn ogen op de meest onverwachte plaatsen opdook – als verkoper van prullaria op de braderie van Barreiro bijvoorbeeld, in een portiek van een gebouw vlakbij een café – als een nomade die wordt opgejaagd door de wind en wordt aangetrokken door het licht. “Doe de groeten aan je neef” moet mijn moeder gezegd hebben.)

“Op de dag dat ze hem zouden doden, stond Santiago Nasar om 5 uur 30 `s morgens op om de komst van de boot, waarmee de bisschop zou arriveren, af te wachten.” Santiago gaat dood. De lezer weet dat. De andere personages weten dat ook. Niemand kan het verhinderen. Niemand verhinderde dat Santiago Nasar werd vermoord door de gebroeders Vicário. Opengesneden met een mes om varkens mee te slachten.
Toen ik Kroniek van een aangekondigde dood las, vond ik het jammer dat het boek zo dun was en dat ik het niet eerder had gelezen. Ik ben jaloers op van die starre, systematische lezers met gebrek aan fantasie die zichzelf verplichten om het complete oeuvre van een schrijver te lezen wanneer ze er één ontdekken die hun bevalt. Ik vind dat bewonderenswaardig en een beetje beangstigend. Het is mij nooit gelukt om een dergelijke herculestaak – lezen uit naam van blinde loyaliteit – te volbrengen.
Naarmate ik vorderde in het boek, was het alsof elke bladzijde in mij een slapend gevoel van herkenning wakker maakte. Zo’n verhaal had ik al eens eerder gehoord. Het was het verhaal van João Jorge, die kennelijk was betrapt op het stelen van varkens en was gedood als een varken, met het mes dat wordt gebruikt om ze te slachten. De eigenaar had de dieven opgewacht, ze op heterdaad betrapt en één van hen vermoord. Dat was de versie die de ronde deed in de wijk in de weken en maanden na de moord.
Toen ik het relaas van het onderzoek las, de getuigenissen die waren verzameld, realiseerde ik me dat mensen na een ramp altijd vertellen dat ze het zagen aankomen en vroeg ik me af of de dood van João Jorge dezelfde literaire grandeur zou hebben, of er in zijn verhaal ook een Bayardo San Román zou zijn, een duur bruiloftsfeest, een versierde haven voor de aankomst van de bisschop; maar het zwijgen van Angela Vicário was zo groots en indrukwekkend, de wraakgevoelens van haar broers waren zo sterk, dat mijn verbeeldingskracht er niet in slaagde om de zaak van João Jorge boven de grijze en grauwe werkelijkheid van de feiten uit te tillen. Wie fictie leest die zo monumentaal en meeslepend is, heeft al gauw de neiging om wat er om hem heen gebeurt te misprijzen omdat de realiteit nooit zo aangrijpend is als wat hij zojuist heeft gelezen.
Ik vroeg me af of er ook een fatale deur, illegale drank en amandeltakken waren geweest, of João Jorge in de nacht voor zijn dood ook over een bos had gedroomd, of hij al wankelend zijn handen tegen zijn buik had geklemd om zijn ingewanden tegen te houden, of hij zijn eigen dood had aangekondigd als een man die klaar is om het land der levenden te verlaten. Het boek deed me denken aan mijn neef en overtuigde me er tegelijkertijd van dat ik zijn eeuwige rust niet mocht verstoren.

Jarenlang werd er over de dood van João Jorge gesproken als een voorbeeld van het verborgen geweld om ons heen. Toen de details waren vergeten, was er alleen nog de morele waarschuwing – hoewel we niet wisten wat we moesten doen om niet het slachtoffer te worden van een dergelijk drama – om na verloop van tijd te vervagen tot slechts een illustratie van een vroeger tijdperk dat net zo ver van ons af stond als bepaalde barbaarse praktijken van verdwenen beschavingen.
Praten over het tragische einde van João Jorge was rustgevend. Het was alsof we wilden zeggen dat mannen van wie ’s nachts de keel werd doorgesneden tot het verleden behoorden, overblijfselen waren uit een tijd van dom geweld, bijgeloof en onbeschaafdheid, toen de wijk nog werd bewoond door rare snuiters die inmiddels voorgoed zijn verdwenen. Uiteindelijk verdween het verhaal van die vreselijke moord in een volkstuin bijna compleet uit ons geheugen. We vergaten het, net als een nutteloos voorwerp dat je kwijt bent geraakt en waaraan je pas weer denkt wanneer je het jaren later toevallig aantreft in een doos of achter een meubelstuk.
Ik heb me altijd schuldig gevoeld over het feit dat ik me João Jorge niet kon herinneren. Ik herinnerde me zoveel dingen die eerder waren gebeurd – de dood van mijn overgrootmoeder, de eerste schooldag, een klasgenootje met dezelfde tas als ik maar dan zonder hengsel, een uitje naar Figueira da Foz, een groen autootje op het balkon, een week vakantie in de Alentejo, de dag waarop ik als driejarige mijn ouders kwijt was geraakt vlakbij een café in Vila Chã – maar niet één herinnering aan die neef was me bijgebleven. Alleen zijn naam zei me wel iets en klonk hypnotiserend en een beetje onheilspellend: João Jorge, João Jorge, João Jorge.
Wat mijn schuldgevoel nog groter maakte, is het feit dat mijn familie tegen mij maar mondjesmaat over hem sprak, waardoor ze me het recht ontnamen om zijn dood te claimen als iets wat een naaste van mij was overkomen. Op een dag, toen ik aan het voetballen was met andere jongens, had een van hen het over de jongen die vermoord was bij het kerkhof en zei ik, omdat ik graag indruk wilde maken, dat die jongen mijn neef was. Ze lachten: “Wat wil je daarmee zeggen?” Ze hadden gelijk. Ik had niets met die dode man. Er was een genetische link tussen ons, maar een emotionele basis ontbrak. Ik voelde me onmachtig, alsof ik mijn kans om iemand te redden had verspeeld.

Hij was de zoon van de oudste broer van mijn grootvader van vaderskant: dat is alles wat ik wist over hem, het enige wat mij jarenlang werd verteld. Daarna moest ik het doen met het verhaal van mijn grootmoeder, die steeds weer de details herhaalde van die nacht waarin hij werd vermoord. Het geschreeuw, dat ze op het balkon ging kijken met het licht uit, de manier waarop ze over hem sprak wanneer we het over hem hadden: “Arme jongen. Zoiets doe je iemand niet aan.” Ze hadden mij dan wel geen deelgenoot gemaakt van die onwerkelijke geschiedenis, maar door dat gedenken uit de tweede hand kreeg ik alsnog een band met João Jorge. Het klinkt misschien hard, maar eigenlijk vond ik mijn eigen afzijdigheid erger dan de dood van mijn neef.

Inleiding en vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*