Verticaal triptiek

Rundertriptiek

Carlos Drummond de Andrade

Een rund beziet de mensen

Zo kwetsbaar (brozer dan een struik) en ze rennen
en rennen maar heen en weer, alsof ze altijd iets
vergeten hebben. Zeker, ze missen
iets wezenlijks, wat weet ik niet, hoewel ze zich vaak verheven
en ernstig voordoen. O ja, schrikbarend ernstig,
zelfs sinister. Stakkers, je zou zeggen dat ze het lied
van de lucht en de geheimen van het hooi niet horen,
zoals ze ook niet lijken te zien in de ruimte wat voor ieder
van ons zichtbaar en normaal is. En ze worden treurig
en in het zog van die treurnis zelfs wreed.
Hun uitdrukking ligt geheel en al in hun ogen – en verdwijnt
door het neerslaan van wimpers, door een schaduw.
Niets in hun haren, hun onvoorstelbaar tere uiteinden,
en wat glooien ze weinig,
en wat zijn ze grof en hoekig en wat een
onvermogen zich samen te pakken tot kalme, permanente
en noodzakelijke vormen. Ze hebben hooguit
(heel even) een weemoedige charme en daardoor vergeef je
ze hun irritante drukte en doorschijnende
innerlijke leegte die ze zo arm en behoeftig maakt
dat ze absurde doodsnoodklanken uitstoten: lust, liefde, jaloezie
(wat weten wij?), klanken die verbrokkelen en als benarde stenen
in het weiland vallen en het gras en het water schroeien,
en wat is het hierna moeilijk onze eigen waarheid te herkauwen.

Vertaling Harrie Lemmens

Dierenleed – Een bucolische overpeinzing

Zoals een mens, klein of groot, wanneer hij jeuk heeft op zijn rug en zijn vingers reiken niet tot aan het plekje, en er is geen muur of deurpost in de buurt om langs te schuren; of wanneer hij met beide handen in het gips in een ziekenhuisbed ligt en een vlieg landt op zijn neus en gaat niet weg, hoezeer hij ook met zijn ogen rolt en lucht opblaast door zijn mond; of wanneer hij in een zomers oord in het holst van de nacht wakker schrikt van gekriebel aan zijn oor en ziet hoe een mierenstraat van de vloer omhoog kruipt, en hij weet zeker dat er mieren in zijn hoofd zitten en schudt vertwijfeld maar het mag niet baten; of wanneer een rijdende discobom in de straat beneden staat en de dreun van donderende bassen niet alleen zijn gehoor binnendringt maar zijn hele zenuwstelsel ontregelt, en hoe hij ook door het raam naar buiten schreeuwt om de hufter het zwijgen op te leggen, deze houdt zich Oost-Indisch doof of is het werkelijk; of wanneer een deadline dreigt en het scherm blijft leeg, en hoe hij ook in de kamer ijsbeert en de woorden uit de lucht wil plukken, zijn creativiteit is als een stikdonkere kelder waarin hij wijn en worst en andere heerlijkheden weet, maar hij kan ze niet zien en is, gelijk een tot eeuwige kerkerstraf veroordeelde ketter, die met ijzeren kettingen aan ringen in de muur geklonken is, in zijn bewegingen geremd, zodat hij er met zijn handen niet bij kan, en de woorden schieten weg als glibberige stukken zeep of gelei van Vlaamse varkenskoppen, glad als de rand van een wak waaraan de drenkeling op klapschaatsen zich wanhopig poogt op te trekken – zoals die mens, groot of klein, lijdt, zo lijdt ook, dacht ik, toen ik in het hoog-Portugese Minho aan een weide met fraai vormgegeven vee voorbijliep, de arme koe die bij elke stap die ze zet en bij iedere graasbeweging die ze maakt, wordt geplaagd door het luiden van de bel rond haar nek, en diep bewogen door haar droevig lot liet ik een traan.

Tekst Harrie Lemmens

Foto omslag Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*