Kinderjaren – Aida Gomes

Aida Gomes da Silva werd geboren in Huambo, Angola, als kind van een Portugese vader en een Angolese moeder, verhuisde in 1975 met haar vader mee naar Portugal, kwam in 1985 terecht in Nederland, waar ze in Nijmegen sociologie studeerde, en werkt sinds haar afstuderen bij de VN, waarvoor ze onder andere in Mozambique, Angola, Suriname en Cambodja jongerenprojecten heeft opgezet en journalisten heeft opgeleid. Op dit moment zit ze voor haar werk in Liberia. In 2011 kwam bij uitgeverij Dom Quixote haar eerste roman uit, Os pretos de Pousaflores, over de zwarten en kleurlingen die in 1975 Angola verruilden voor Portugal, deels gebaseerd op haar eigen ervaringen. En haar vroegste herinneringen.

Drie herinneringen

Bij mijn oudste herinnering – ik zie mezelf aan de oever van de rivier zitten – had ik nog geen woorden, ik kon de wereld niet benoemen, maar het is wel mijn belangrijkste herinnering, die ik zo in de roman heb verwoord: ‘De insecten trokken voorbij, bijen, wantsen, muggen, sprinkhanen, ze vlogen allemaal (daar gaat hij!), ik keek toe, duizelig van zoveel kijken; ik speelde in de modder, sprinkhanen, muggen en vliegen trokken voorbij; bogen hun kop van links naar rechts en vlogen verder (hij is al weg!). De grond was van rode aarde. Ik maakte met mijn vingers haren van modder. Spreidde ze uit over mijn armen…’ Voor het eerst was ik me bewust van hoe modder aanvoelt; ik zie insecten om mij heen vliegen; en als ik heel erg diep in mijn geheugen graaf, zie ik ook een weg die eindigt bij grijze bergen… Zonder deze herinnering zou ik nooit weten hoe het is begonnen, daar in Angola, midden in een wonderbaarlijk landschap dat in Europa bekend staat als de rimboe; daar voelde ik voor het eerst de omhelzing van de wereld die iedere seconde aan ons voorbij gaat… Zonder die omhelzing kan ik niet schrijven, want daar beginnen alle woorden…

Die oudste herinnering verweef ik in Os pretos de pousaflores met een tweede herinnering: ‘Ik liep naar de oever van de rivier en duwde de planten weg… Daarna wachtte ik tot de insecten met hun grote vleugels merkten dat ik er was… (Mag ik?) Ik hield mijn adem in en zuchtte (‘Kom binnen’, hoorde ik ze zeggen…) Duizenden witte spinnetjes sprongen wervelend op in een doorzichtige tapdans… Een rooksliert bewoog het wateroppervlak…’ In die tijd had ik al woorden. Ik was vier en kon al lezen, maar nog niet schrijven.

Nu zijn we aangekomen bij herinnering drie: ‘Ik droomde dat ik een blauwe vlinder was die fladderde in de struiken; niemand die mij enig kwaad kon doen; iedereen die mij zag zou meteen inzien dat ik een stukje lucht was; zomaar uit de blauwe hemel gevallen…’ Toen ik dit schreef was ik acht jaar oud en ik was het gelukkigste kind van de wereld vanwege de dromen die het schrijven (en lezen) mij brachten…

Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*