Niemand komt in mij – José Castello

José Castello (1951, Rio de Janeiro) is een van de belangrijkste Braziliaanse literatuurrecensenten van dit moment. Verder schrijft hij columns en artikelen in verschillende kranten en tijdschriften en heeft hij een aantal biografieën op zijn naam staan, onder andere van Vinicius de Moraes, van het beroemde liedje Girl from Ipanema. In 2001 verscheen zijn eerste roman, Fantasma, in 2011 gevolgd door Ribamar. Meer over hem is te vinden in de hoofdstukken ‘Curitiba’ en ‘Rio’ van God is een Braziliaan.

Dentro de mim ninguém entra (‘Niemand komt in mij’) was het levensmotto van de Braziliaanse kunstenaar Arthur Bispo do Rosário (1909-1989), die bijna vijftig jaar van zijn leven heeft doorgebracht in een psychiatrische inrichting. Schizofreen. De stemmen die hij hoorde dwongen hem allerlei afval en andere spullen te verzamelen en daar kunst van te maken.

Op basis van de uitspraak van Bispo do Rosário schreef José Castello een boek over het verzinnen van verhalen en de macht van personages. Oftewel hoe een kind de literatuur ontdekt. Een soort werdegang. Bedoeld als kinderboek maar tevens onmiddellijk ontvangen als een geweldig boek voor volwassenen. De Braziliaanse uitgave bevat naast het ontroerende verhaal van een jongen in een ziekenhuisbed een interview met Bispo do Rosário en foto’s van zijn objecten, die te zien zijn in een zaal van de inrichting waar hij geïnterneerd was, Colônia Juliano Moreira, in Jacarepaguá in de deelstaat Rio de Janeiro.

Ik lig vast in een ziekenhuisbed. De dokters hebben me aan draden gebonden en naalden in mijn arm gestoken, en nu kan ik niet opstaan. Ze zeggen dat ze dat gedaan hebben om voor me te zorgen, maar toch voel ik me gevangen. Ik weet ook niet of dat aan de dokters ligt of aan mijn ziekte, die gelukkig niet ernstig is, zeggen ze. Maar er is iets waardoor ik niet naar huis mag.

Ik ben heel verdrietig. Vastgebonden in een bed liggen doet pijn. Mijn lijf versmelt met de matras, we worden samen één ding, een ding vol spiralen. Het hele bed maakt nu deel uit van mij, alsof het een nieuwe arm is, of een nieuw oor. Als ik de poten van het bed meetel, waar wieltjes onder zitten, heb ik nu zes benen, merk ik. Als ik de ijzeren zijsteunen meetel waarop ik mijn armen leg, heb ik nu vier armen. Ik ben iets heel raars geworden.

De kamer, die helemaal wit is, zit ook vast aan mij. Hij maakt deel uit van mijn lijf, dat zich nu uitstrekt tot aan het raam en wegstroomt door de deur naar de gang. Het is een gek gevoel, want in plaats van dat ik me groter voel met al die dingen aan me vastgeplakt, voel ik me kleiner. Veel kleiner – nog bijna maar een draadje mens.

Ik moet hier weg, maar ik weet dat dat niet kan. Ik weet ook dat ik beter niet weg kan gaan. Of toch wel? Ineens herinner ik me dat ik een schrift heb meegenomen in mijn rugzak, die vlak naast me ligt. Ik haal het schrift eruit. Alle bladzijden zijn nog wit. Mijn schrift is ook gevangen: het zit vast aan de stilte van zijn lege bladzijden. Een schrift praat alleen als je er iets in schrijft. Ik snap meteen dat mijn schrift me smeekt om iets te schrijven.

Misschien is schrijven de enige manier die ik nog heb om me te bevrijden uit dit bed. Mijn lichaam ligt wel vast, maar mijn hoofd is vrij. Dat pakt niemand, daar komt niemand aan. Je hoofd is een soort kasteel waarin je je intiemste dingen bewaart. De geheime dingen die je in jezelf verstopt hebt. De gedachten die jij alleen hebt.

Terwijl ik dat allemaal denk, schiet me iets te binnen wat ik altijd zeg als ik ruzie heb met papa en mama: ‘Niemand komt in mij.’ Zij denken van wel, want ze dwingen me een hoop dingen te doen die ik niet wil doen. Maar ze komen er niet echt in. Van mama moet ik vroeg naar bed, ook al smeek ik nog zo hard om nog wat langer op te mogen blijven. Ze maakt mij een gevangene van haar klok. Mama wil dat ik een klok in mijn borst heb in plaats van een hart. Mama’s zijn echt raar.

Vast aan mijn kinderbed en zonder slaap kan ik alleen nog maar denken. Niemand is baas over mijn gedachten. Niemand vertelt me wat ik moet denken. Maar mijn gedachten kronkelen meteen als de draden van een tijdbom en daar word ik doodzenuwachtig van. Soms lijkt het alsof ik er niets meer over te zeggen heb. Maar ik heb ooit bij toeval ontdekt dat je je gedachten het best kunt beheersen als je verhalen vertelt. Door die verhalen word ik rustig in plaats van nerveus.

Thuis vertel ik mezelf verhaaltjes in bed, want ik heb geen broertjes en lig alleen in de slaapkamer. Omdat ik die verhaaltjes aan mezelf vertel, doe ik dat stil. Ik vertel mijn verhalen alleen in mijn hoofd. In die uurtjes, waarin ik niet let op het tikken van de wekker, vertel ik mezelf de gekste verhalen, en die houden me gezelschap. Mijn slaapkamer is ook net een gevangenis. Of ik denk dat het echt een gevangenis is. Maar anders dan echte gevangenen, die lijden en jammeren, voel ik me daar, alleen met mijn gedachten, een heel stuk beter.

Niemand kan zich bemoeien met mijn verhalen, ze zijn helemaal alleen van mij. Niemand kan mijn verhalen horen, want ik vertel ze niet hardop, ik vertel ze in mijn hoofd. Mama en papa weten niet eens dat mijn verhalen bestaan. Ze bestaan alleen in mij – en dat is nog het mooiste. Niemand kan ze verbeteren, zoals de juf op school doet. En mama en papa kunnen niet zeggen dat het onzin is wat ik denk, of dat ik te veel denk.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*