Alleen de doden kennen Mafra

Column António Lobo Antunes

Nog steeds vind ik het vervelend door Mafra te komen, Mafra en de hele streek rondom waar ik als cadet de eerste maanden beleefde van de ellende die mij op een luxe passagiersschip naar het krijgsgeweld in Afrika voerde. Ik denk dat het de ergste winter van mijn leven was, drie maanden in de kou en regen tussen het ijzige klooster dat Praktijkschool der Infanterie heette, het ommuurde terrein waar de president naar men zei ging jagen en de militaire martelingen aan de monding van de Lizandro. Ik begrijp dat je aspirant-officieren met harde hand moet klaarstomen voor de oorlog, maar ik heb moeite met de wreedheid van sommige instructeurs. Ook snap ik dat die instructeurs net zulke pechvogels waren als wij, maar ik kan niet bij het nodeloze geweld, de stompzinnige vernedering en de mensonterende leefomstandigheden. Met een ster op mijn schouder en L. Antunes op mijn uniform genaaid heb ik daar verrekt van de honger: koffie met melkpoeder, een piepklein pakje boter dat we met zijn achten moesten delen. De vaandrig beval staande, met zijn armen over elkaar

‘Naar mij toe kruipen’

dat wil zeggen op en over elkaar in de modder tot we zijn schoenen hadden aangetikt. Het tekort aan water waardoor ik me de hele week niet kon wassen, de pestlucht van de kazerne, het constante geweld, wij smerig, wanhopig, uitgeput en de vaandrig maar vragen

‘Is het leger mooi?’
waarop wij in koor, zwerend bij ons lieve moedertje
‘Jawel’
de vaandrig maar vragen
‘Is het leger goed?’
en wij, met zin om hem te wurgen
‘Jawel’
de vaandrig maar aandringen
‘Harder’
en wij, harder
‘Jawel’
de vaandrig
‘Angola’
en wij in koor
‘Is van ons’

brullend van woede, de majoor die ons inspecteerde op de paradeplaats en met een kaartje over onze wang streek om te zien of we ons netjes hadden geschoren. Als het vuile kaartje

‘Trrrrr’
deed, zei de majoor tegen de kapitein
‘Deze cadet gaat niet op weekend’
en ik in mezelf
‘Ik krijg die klootzak wel al moet ik eeuwen wachten’

terwijl de majoor net zo’n schlemiel was als wij, een gevangene net als wij, slecht betaald, nauwelijks ervaren, met zes jaar Afrika achter de rug, nog steeds vind ik het vervelend door Mafra te komen, al die hellingen, al die straten, sergeanten die moeizaam zaten te schrijven op de administratie, muffe gangen, hooguit een half dozijn pisbakken voor een hele compagnie, de pies die over de grond stroomde, midden in de nacht geschreeuw

‘Binnen tien minuten iedereen in gelid’
of nee, geen tien
‘Binnen vijf minuten iedereen in gelid’

de Portugese soldaat doet voor niemand onder, Portugal één en ondeelbaar van Minho tot Timor, over de muur springen, over de greppel springen, over de dagen springen, als je de tijgerbaan niet haalt terug naar soldaat eerste klas, en niet te vergeten de arrogantie, het constante misbruik en de laagheid die ik niet ben vergeten en nooit zal vergeten, Angola is van ons, kruipen, kruipen, een militair wordt niet nat van civiele regen, nog steeds mijd ik Mafra, rijd ik er in een boog omheen, ik heb er nooit ook maar één cadet gezien die zoon was van een belangrijk iemand uit de dictatuur, een kamerlid, een minister, een bankier, die hoefden niet te kruipen, kruipen en kruipen en de schoenen van de vaandrig aantikken, de vuile troep uit de vreetschuur, mijn hoofd altijd maar

‘Waarom?’
mijn hoofd alleen maar
‘Waarom?’

grappig hoe je alles overleeft en alles verdraagt en bijna meteen daarna ik ook officier, klaargestoomd voor het scheepje naar Afrika met splinternieuwe epauletten op mijn schouders, mijn hoofd altijd maar

‘Waarom?’
mijn hoofd alleen maar
‘Waarom?’
steeds maar zeurend
‘In naam van wat, waarom?’

en opnieuw januari en kou en regen, de monding van de Lizandro in de vroege morgen, vaag, een sinaasappel, een conservenblik, mijn vingers moeite met pellen, cadetten in plaats van meeuwen verspreid over het strand, verstijfd, een wazig flets zonnetje, geweer afleggen, het tentzeil, de veldfles, in de schil bijten, het zure sap, alleen de doden kennen Mafra, je hoort de voetstappen van de doden op de tegels van het klooster, cadet L. Antunes die de trap oploopt naar de slaapzaal, daar gaat hij, als ik er nu binnen zou gaan, zou ik hem daar aantreffen en hem bevelen

‘Binnen tien minuten in het gelid’
of nee, geen tien
‘Binnen vijf minuten in het gelid’

en dan zou ik hem de regen in zien rennen, januari, februari, maart, hoofd kaalgeschoren, blauwe vingers die nog geen sinaasappel kunnen pellen, cadet L. Antunes

‘Waarom?’
zijn gezicht
‘Waarom?’
en natuurlijk geef ik geen antwoord, als ik hem zou antwoorden zou ik moeten zeggen
‘Weet ik ook niet’
en een officier mag nooit blijk geven van zwakte tegenover een schijtrekruutje.

 

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*