Bij de dood van Fidel Castro

raquel-ribeiro-samba-11Een verslag over Cuba door de journalist en schrijfster Raquel Ribeiro met een voorbespreking van Harrie Lemmens

De schrijfster Raquel Ribeiro begon als journalist voor het grote Portugese dagblad O Público. Niet alleen om haar brood te verdienen, maar ook om het schrijversmétier te leren en te werken aan een eigen stijl. Eenentwintig was ze toen, net afgestuurd aan de letterenfaculteit, en ze hield zich in de krant voornamelijk bezig met literatuur (recensies, interviews, reportages, vooral uit Latijns-Amerikaanse (Spaanstalige) landen. Later werd ze verantwoordelijk voor een reeks romans die de krant uitbracht. Dankzij een beurs kon ze vier jaar studeren en promoveren (op de Portugese schrijfster Maria Gabriela Llansol) in Liverpool. Na haar promotie keerde ze weer terug naar de journalistiek en begon een langlopend onderzoek naar de Cubaanse soldaten die van 1975 tot 1991 hadden gevochten in Angola (een onderzoek dat het boek War Wounds opleverde: gesprekken met soldaten). Daarvoor verbleef ze een aantal jaren lang met grote regelmaat op het eiland, dat ze, ook door haar relatie met een Cubaan, door en door leerde kennen.

Het boek: Este samba no escuro (‘Deze samba in het donker’) is het ‘verslag’, als je dat zo mag noemen, van al die verblijven. Een verslag dat uit de personages komt: een oude man die de revolutie heeft meegemaakt en nog altijd vol is van de toenmalige idealen, waarvoor hij heeft gewerkt in het dorp waar hij nog steeds woont; zijn kleinzoon, die trompet speelt en in het begin van het boek naar Havana vertrekt om zijn dienstplicht te vervullen; zijn jeugdvriendin die hij hier weer ontmoet en die met een aantal mensen samenwerkt om verandering tot stand te brengen (waarvoor onder andere een liedje van Chico Buarque wordt gebruikt); plus een aantal bijfiguren die dromen van Miami, of van een beter leven op Cuba: gezondheidszorg en onderwijs, de paradepaardjes van Cuba, mogen prima zijn (voor zover ze echt functioneren natuurlijk), maar je kunt er niet van eten, je kunt er geen huis van kopen en inrichten, geen kleren van kopen, kortom, niet van leven.

Heel subtiel zet ze de twee gezichtspunten tegenover elkaar, met tussenin de mensen die naar Amerika zijn vertrokken, waarvoor uiteindelijk ook de jonge trompettist kiest. En op een voortreffelijke manier laat ze zien wat het toerisme doet: nergens moralistisch, gewoon beschrijven. Plus de politie uiteraard, de Cubaanse Stasi, de corruptie enzovoort.

Raquel Ribeiro noemt Virginia Woolf als grote voorbeeld, en dat zie je ook wel terug in haar stijl (door de manier waarop ze bijvoorbeeld meerdere stemmen met elkaar vervlecht zou je het ook verwantschap met Lobo Antunes kunnen noemen), alleen is ze veel en veel toegankelijker. Alsof het allemaal geen moeite kost, zo geraffineerd zit het in elkaar. Een geweldig boek dus van een grote schrijversbelofte!


Leesfragment

raquel-ribeiro-samba-21Wie Havana binnenrijdt vanuit het oosten weet dat de lichten van de stad voorbij de heuvel koud zullen oprijzen aan de horizon. Het Capitool met het geel van zijn koepel. Het bijna elektrische blauw van hotel Habana Libre. Het driehoekige groen van het Focsa. En duizenden puntjes die de stad aan elkaar stikken. In de open laadbak van de vrachtwagen wachtte Álvaro, klappertandend van de vochtige nachtkou, gespannen op het moment waarop ze zou opdoemen als een spookbeeld, verderop, tot waar het oog reikte. Hij krabde niet aan zijn oor als hij jeuk kreeg, hij kneep zijn ogen niet dicht wanneer de wind sneed, had al een paar uur geen woord meer gezegd, sinds hij gehoord had dat Havana dichtbij was en dat vanaf dat moment alles wat hij zei tegen hem gebruikt zou kunnen worden − zelfs de aangekondigde open mond van verbazing wanneer het zien van het Capitool hem in vervoering zou brengen. Dat moment missen zou betekenen dat hij zijn hele leven zou dromen van wat hij niet had gezien, zelfs als hij het later, met andere ogen, wel zou zien, als hij de rit van Ciego naar Havana opnieuw maakte.

Het duurde niet lang meer totdat de stad zou opdoemen achter de heuvel. Eerst de hoogste gebouwen, daarna de hele skyline en ten slotte de zee van licht die als vuur uit de vervallen huizen kwam, van binnenplaatsen met gloeiende vuurtjes. Zonder dak. Álvaro had zich Havana nooit voorgesteld als een vervallen stad. ‘Hoezo vervallen?’ had hij zijn grootvader Ernesto gevraagd.

‘Elk jaar vallen er tientallen gebouwen.’
‘Hoezo vallen?’
‘Gewoon. Uit de lucht,’ zei zijn grootvader. ‘Kijk maar uit dat je niet binnengaat in gebouwen die op het punt staan te vallen!’
‘Hoe weet ik dat ze gaan vallen?’
‘Dat ruik je. Het ruikt naar gusanos.’

Gusano’s was een ander woord voor contrarevolutionairen. De oude Ernesto geloofde nog in de theorie van de samenzwering en Álvaro was bang dat in zijn beeld van Havana, in wat uiteindelijk voor zijn ogen zou opdoemen, dat de gebouwen een voor een met het nodige stof als kaartenhuizen in de vuren zouden storten. Hij wist dat Havana elk moment kon instorten − met uitzondering van het kasteel van Atarés, de kazerne waar hij heen moest, beschut door twee jaar dienstplicht. Maar ook al had Ernesto tegen hem gezegd dat de ruïnes de stad hadden overvallen en de bevolking belaagden, Álvaro kon zich Havana niet voorstellen als een enorme gecastreerde kater. Hij wist dat Havana, net als een woeste luipaard, trots op zijn huid, op jacht zou gaan omdat het honger had.

 

Vertaling Harrie Lemmens

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*