Reis naar het einde – António Lobo Antunes

Leesfragment –

Basis CMYKZoals altijd als hij niet kon slapen, begonnen de gekken uit zijn kinderjaren, de zachtaardige, bescheiden, verontwaardigde, tegenstribbelende gekken uit zijn kinderjaren een voor een door het donker voorbij te trekken, een zowel armzalige als rijk uitgedoste stoet clowns in het schuine schijnwerperlicht van het geheugen, op de muziek van de oude grammofoon op zolder, die van onder een doffe laag stof de zuchtende tonen van een reumatische wals uitstrooide over hobbelpaardjes:

Je had Monsieur Anatole, de Franse graveur over wie zijn vader hem had verteld, Monsieur Anatole, die hij zich zonder te weten waarom had voorgesteld met het witte haar en de loodkleurige ogen van Marc Chagall terwijl die klokken met vleugels, blinde violisten en verstrengelde paartjes schilderde, Monsieur Anatole, die een roman aan het schrijven was met als titel Livre plus que social, en die ooit met walgend dedain had geantwoord toen een arts hem vroeg of hij kinderen had:

Docteur, je ne fabrique pas de cadavres.’

En je had de gekken van Benfica, de bejaarde heer die bij het schoolplein ineens zijn regenjas opende om zijn voddige geslacht te laten zien, de zatte Florentino, die in een trotse houding in de regen op de stoep zat en met dubbele wijntong de jachtige benen van de voorbijgangers stijf schold, de ongevaarlijke gekken van Benfica, vergeeld als foto’s in het warrige album van de kinderjaren, de carillonist die tijdens het Sursum Corda van de hoogmis ‘Papegaaitje leef je nog’ speelde, waarbij zijn mouwloze mantel in de wind wapperde als de cape van een ruiter in galop, de vrouw die de hosties mee naar huis nam en in een doosje legde in de hoop ooit het hele lichaam van God te kunnen reconstrueren, de gekken van Benfica die ’s avonds samendromden als een meute zwerfhonden en het vreselijke gehuil van hun protesten uitstootten over de stille quinta’s.

Toen hij langs het kantoortje van Balaia reed, naast de tennisbaan en de perkjes met gele bloemen die hun blaadjes openspreidden met de traagheid van benen bij de gynaecoloog, doods en gedwee onder de doktersvingers van de zon, moest hij denken aan de man die in een kinderwagen gepropt tijdschriften over kwantummechanica had liggen lezen in het bos van Monsanto, zonder zich iets aan te trekken van de schrik en verbazing van de wandelaars, een keurige vent met bril en colbertje die in het bos van Monsanto tijdschriften over kwantummechanica las in een roestige kinderwagen, en aan hoe hij bij het zien van diens vreemde ongedwongenheid en de lacherige verbijstering van de anderen had besloten psychiater te worden om (zo dacht hij) de eigenaardige manier van leven van de grote mensen beter te begrijpen, wier onzekerheid hij soms aanvoelde als ze achter hun sigaretten en snorren met pontificale ernst over hun soep gebogen zaten. En terwijl hij zijn auto over de paden van het bungalowpark stuurde, tegen de achtergrond van de zee die als het ware beschenen werd door een heldere gloeilamp, herinnerde hij zich de grijsharige vrouw met een paraplu en herenschoenen onder de vlekkerige plooien van haar rok, die ineens was opgedoken uit de bosjes en de kinderwagen onder het mompelen van onverstaanbare woorden met knarsen en piepende wielen over de bladeren en dennennaalden weg had geduwd, alsof ze de man met de tijdschriften als een verstrooid kind door de stad reed, tot de twee achter een heuvelplooi verdwenen en alleen het piepen van de wielen bleef hangen als een parfumlucht in een leeg bed. Dat was het moment geweest (dacht hij) waarop hij had besloten psychiater te worden, om te wonen tussen verwrongen mensen, zoals je ze in je dromen ziet, en hun maanzieke praat en hun ontroerde of wrokkige brein te begrijpen, aquaria waarin de vissen van de doodsangst rondzwemmen.

Je had dus de gekken van Benfica, de magere jonge vent die altijd krekelkooien bij zich droeg en fel uitvoer tegen de dichte ramen van de onverschillige huizen, de man die in het carnavalskostuum van een politieagent op een straathoek het verkeer regelde, met een rode kop van energiek gezag, de twee ongehuwde zusters, kromgebogen als kaketoes, dochters van een piloot van watervliegtuigen, wiens foto met helm en gevoerd jack aan de muur tevergeefs het middagdutje van de kat bedreigde, die als er op zomermiddagen traag en stemmig een begrafenisstoet wegreed van de kerk, naar voren drongen, met hun kunstgebit het pruttelen van de propellers nadeden en als vogels rond de lijkwagen trippelden, klaar om met de schommelende omhaal van vermoeide engelen weg te vliegen boven de bomen. Nooit zou hij de doodkisten met hun zwarte doeken vergeten, bestikt met goudkleurige glitters die in de augustuszon glinsterden als lichtreflexen in een emmer water, en de familieleden die hun brandende sigarettenpeuk uit een absurde eerbied achter hun rug hielden, alsof het lijk het deksel omhoog zou duwen om hen schreeuwend te berispen, nooit zou hij het zwijgen van de duiven op begrafenissen vergeten, en vooral de dochters van de piloot niet, die als lompe patrijzen in hun watervliegtuig boven de acacia’s slingerden terwijl hun plastic tanden klapperden als sputterende motoren.

Nooit, dacht hij toen de poort van de Quinta da Balaia aan de weg naar Albufeira voor hem oprees en hij daar langzaam naartoe reed, nooit zou hij het gesticht aan de rand van Lissabon vergeten waar hij met Kerstmis samen met zijn ouders heen ging, gangen en nog eens gangen waar stappen en stemmen beangstigend hol klonken, enorme zalen vol vrouwen die hem vanuit een leunstoel roerloos aanstaarden als wassen beelden in wachthoudingen, en nonnen die geruisloos met licht klokkende rokken over de vloertegels gleden en hen begroetten met een murmelgebed en een knikje van hun gesteven kappen. Kerstmis was voor hem misvormde pubers die op houten banken vreselijke mummelmonden open en dicht trokken en zich helemaal onder kwijlden, oude besjes in een jasschort die koket naar hem lonkten, een niet-lokaliseerbare piano die aarzelend een walsje van Chopin plukte alsof die een levende kip was. Nooit zou hij de vrouw met kleurloze haarplukken en de bleke lange vingers van een prinses in een crypte vergeten die uit een deurlijst schoot om met de schokkerige gebaren van een marionet verzen van William Butler Yeats

When you are grey and old and full of sleep

te declameren, met een onwezenlijk timbre dat elk woord de duizelingwekkende diepte van een put verleende.

(…)

En pas in 1973, toen ik aankwam in Hospital Miguel Bombarda, om daar te beginnen aan een lange reis door de hel, stelde ik vast dat de nacht inderdaad weg is uit de stad, dat hij zich van pleinen en kerkhoven en uit straten en parken heeft teruggetrokken en weggekropen is in de hoekjes van de zalen van dat ziekenhuis, net als de vleermuizen, in de plafondlampen en de kaduke medicijnkasten, in de apparaten voor het toedienen van elektroshocks, in de emmers met verband, de dozen met spuiten, tot de patiënten zwijgend terugkeren uit de eetzaal en in de verveloze ledikanten kruipen, waarna de verpleeghulp op het lichtknopje drukt en dat licht het walgelijke vilt van zijn vleugels, het walgelijke, plakkerige vilt van zijn vleugels uitspreidt over de mannen, die er tussen de lakens met onbedwingbare walging naar staren. De nacht die wegtrekt uit de stad lag op het geknikte gezicht van de patiënt die zich achter de garages had opgehangen, wiens kapotte gymschoenen lichtjes slingerden ter hoogte van mijn kin, lag in de sterfgevallen die ik vaststelde als ik dienst had en het ijskoude diafragma van mijn stethoscoop op borsten drukte die roerloos waren als eindelijk aangemeerde boten, lag in de ontstelde trekken van de levenden die opgesloten zaten tussen de muren en traliehekken van het gesticht, in het stof op de binnenplaatsen in de zomer, in de gevels van de huizen rondom. In 1973 was ik teruggekeerd uit de oorlog en ik wist alles van gewonden, van het janken van gewonden op de weg, van ontploffingen, schoten, mijnen, van door de explosie van een hinderlaag aan stukken gereten buiken, ik wist van gewonden en vermoorde baby’s, wist van vergoten bloed en heimwee, maar de hel was me bespaard gebleven.

 

Vertaling Harrie Lemmens

Lees hier de recensie van Reis naar het einde van Ger Groot in de NRC.

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*