De schommel

Door António Lobo Antunes

autorid01495Ze draaide de gaspitten van het fornuis open en ging op de bank zitten wachten. Ze rook niets: zou ze een raam vergeten hebben dicht te doen? Ze liep naar de slaapkamer, naar de werkkamer en naar de huiskamer, controleerde alle sluitingen en ging weer op de bank zitten, kaarsrecht, met haar handen op haar knieën, alsof ze ergens in een wachtkamer zat te wachten op haar beurt. Ze dacht aan niets in het bijzonder, ze dacht nergens aan. Straatgeluiden drongen binnen: auto’s natuurlijk, een vrachtwagen bij de kleine supermarkt, en iemand die kisten uitlaadde en opstapelde op de grond. Het maandelijkse alarm van twaalf uur ’s middags. Stappen in de flat boven haar, van een vrouw, want het waren naaldhakken.

Ze kende haar van in de lift, waar ze altijd stond met een vioolkist: ze speelde in een orkest en woonde alleen. Soms had ze een man bij zich, niet altijd dezelfde, een heel stuk ouder dan zij, met lang artiestenhaar en eveneens een muziekinstrument onder de arm. Ze keek op de klok: ze had de gaspitten vijf, of nee, zes minuten geleden opengedraaid en ze had geen idee hoe lang het gas erover deed om zich door de flat te verspreiden. Ze krabde zich aan de elleboog en dacht aan haar moeder, die langzaam bewoog vanwege haar hart. Haar vader was jaren geleden gestorven onder het avondeten: ineens viel zijn vork uit zijn hand, hij keek haar verbaasd aan, verbaasde zich niet meer en zijn kin zakte omlaag naar zijn bord.

Ze dacht dat hij iets wou zeggen, maar hij zei niets. Ze herinnerde zich de vork op het tafellaken en het zwijgen van haar moeder, herinnerde zich dat ze de hulpdiensten had gebeld en dat een vent in een witte jas hem op het vloerkleed had gelegd en een masker op zijn gezicht had gezet, dat hij het masker weer weg had gehaald, dat hij een spuit uit zijn tas had gehaald, geknield over haar vader gebogen, en dat hij vanaf het tapijt gezegd had van nee. De dag daarna de lijkschouwing, de dag daarna de dodewake, de dag daarna de begrafenis. Collega’s van het werk, condoléances, de taxi terug, haar moeder een gekreukte zakdoek in haar vuist.

Allemaal zo simpel, zo snel, zo weinig woorden. De afdruk van het lichaam van haar vader in de leunstoel waar hij het kruiswoordraadsel uit de krant oploste, verdween langzaam. Het enige verschil was de ingelijste foto in de huiskamer met een vaas bloemen ernaast. En meteen daarna de winter, meteen daarna regen, een treurige waas over de dingen. Minder uitgaven aan eten natuurlijk. De scheerkwast boven de wasbak. Aan het eind van die winter was ze zonder speciale reden naar een andere flat verhuisd, maar ze had de scheerkwast meegenomen en boven de nieuwe wasbak gezet, tussen haar tandenborstel en haar potjes crème. Ze had wat meubels gekocht, zonder echt te kiezen, en een schilderijtje met boten erop. Ze werkte als journaliste bij de radio, las het nieuwsbulletin van ’s ochtends.

Net als de vrouw met de vioolkist had zij ook soms een man bij zich, niet altijd dezelfde. Ze bleven niet de hele nacht, gingen eerder weg.

Collega’s van de radio, de man van de sport, die van economie.

Het verzoek om niet te roken niet meegerekend praatten ze nooit. Waarover ook? Liggend in bed keek ze toe hoe ze zich aankleedden. Als ze de voordeur hoorde dichtslaan stond ze op, at een paar koekjes uit de kast en ging op de bank zitten wachten.

Net als nu, nu ze een misselijke geur begon te merken maar nog geen slaap kreeg. Ze vroeg zich af wanneer de slaap zou komen. De misselijke geur kon niet naar buiten omdat ze een deken tegen de kier onder de voordeur had gelegd.

Haar moeder kwam haar heel even voor de geest en verdween weer, weggedrukt door het beeld van een schommel in een tuin, waarin ze als kind geduwd was.

Verdwaalde stemmen uit haar kinderjaren, een week in het sanatorium, kijken naar de volwassenen die glazen water dronken, wandelen tussen dennenbomen, zich vervelen. Wie zou er voortaan in haar plaats het nieuws lezen? De indruk dat ze binnenstapte in het schilderijtje met de boten, dat ook een boot werd. Bij het sanatorium een vijver met zwanen en ze begon net als die zwanen in stilte te glijden. Die kende ze goed, stilte. Ze voelde zich omringd door stilte, gehuld in stilte, vol stilte vanbinnen. De vork was geluidloos uit de hand van haar vader gegleden. Ze ging met open ogen op de bank liggen, terwijl de schommel heen en weer zwaaide. Ze vond het raar dat er niemand op zat. Of eigenlijk vond ze dat ook niet raar. Per slot van rekening was er niemand meer over om er blij mee te zijn.

column-lobo-de-schommel

Vertaling Harrie Lemmens

Foto Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*