Poëzie van de Portugese dichter Rui Cóias

Nog niet eerder vertaald werk

capa-ruicoiasDe in Lissabon geboren dichter Rui Cóias (1966) studeerde rechten aan de universiteit van Coimbra waarna hij als rechter in Lissabon werkte. Na negen jaar trad hij terug als rechter en in 2000 debuteerde hij met de gedichtenbundel A Função do Geógrafo (De functie van de geograaf). Van hem werd nog niet eerder werk vertaald naar het Nederlands. Onderstaand gedicht komt uit de tweetalige Portugees-Franse uitgave: A Natureza da Vida, Orfeu, (Brussel 2014) en werd vertaald door Harrie Lemmens.

 

 

 

 

Wanneer het roet oprukt in de zeelucht landinwaarts,
en op het warmste uur een stapje terugdoet,
en een andere schaduw de schaduw van een voorspelling is – of
iemand die vertrekt tussen vallende bloesems
– waar as over de breedte van de braakliggende velden hangt,
en daar de deken van talrijke voorbije jaren weeft,
en iemand alleen de dauw verwelkomt terwijl ver weg wagons te horen zijn,
met het voordeel dat alles stroomt en in één punt samenkomt,
begrijpen we misschien eindelijk, al is het
instinctief, een vluchtige gelijkenis of vage ademtocht,
dat dat de roeping is van de dood.
En omdat de weg smal is, net als het kind dat erover loopt,
omdat ons gezicht weldra bedekt zal worden in de wake
– met de eerbied van troost ontberende gebeden,
betreden we het landschap met een andere koers dan was uitgezet,
en overeenkomstig de breedtegraad – de leeftijd – de toegangsplaats
– of wanneer het kind al niet meer op de weg loopt,
versluieren we de wereld met wat daar aan onzekerheid bij komt,
met de tijd die we niet hebben en ook niet zullen krijgen –
deelgenoten van een noodlot dat ons bindt aan het
onzichtbare – terwijl wederom een andere ziel
vaarwel zegt en dooft.

 

Onde a fuligem avança na maresia para o interior,
e no meio da hora cálida desaba um passo,
e outra sombra é a sombra de um prenúncio — ou
alguém partindo num intervalo de pétalas
— onde cinzas pairam na largueza dos baldios,
lá gerando o manto de numerosos anos, já ausentes,
e sozinho alguém acolher o orvalho, ouvindo-se vagões em fundo,
com o favor de tudo fluir e num ponto resumir-se,
compreendemos talvez por fim, ainda que
por instinto, fugaz parecença, ou sopro macilento,
que essa é a vocação da morte.
E porque o caminho é estreito, tal a criança por ele anda,
porque o nosso rosto virão em breve tapar na cerimónia
— com a deferência de preces inconsoladas,
alinhamos a paisagem ao rumo diverso do que foi cartografado,
e consoante a latitude — a idade — o local de acesso
— ou quando a criança já no caminho não está,
desfocamos o mundo com o que lhe acresce da incerteza,
com o tempo que não temos nem iremos ter —
cúmplices de um destino que nos liga ao
invisível — enquanto diz adeus uma vez mais
outra alma que se finda.

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*