Dulce zegt Danke schön

Gesprek met Dulce Maria Cardoso

Door Harrie Lemmens

Vijf jaar geleden ontmoette ik Dulce Maria Cardoso in Duitsland. Ik had net de vertaling van ‘O Chão dos pardais’ voltooid en wilde haar spreken voor een nawoord bij de opvolger van ‘Violeta en de engelen’, dat eind 2009 was uitgekomen bij Meulenhoff, de vertaling van ‘Os meus sentimentos’. Helaas werd die tweede roman, in het Nederlands ‘Keerzijde’, vanwege crisis en bezuinigingen nooit uitgegeven. Gelukkig is er nu toch alsnog een uitgever gevonden: Prominent.

dulce-sagt-danke-schon1

Neurenberg, late herfst. Het is zondagmorgen, de lege bierblikjes en bockwurstbakjes van de Schlachtenbummler slingeren over straat, waar de eerste toeristen zich naar het middeleeuwse deel van de stad reppen. Het monumentale Neurenberg van de Hitlerparades ligt aan de andere kant van het station. De zon schijnt en het terras van het Literaturcafé is nog net aangenaam. Desondanks zit Dulce Maria Cardoso in een dikke sjaal gehuld tegenover mij. Ze brengt een jaar door in het schrijvershuis van Bamberg, zo’n honderd kilometer noordwaarts, en omdat ik zelf een paar dagen in München ben, hebben we afgesproken in de stad van Martim Behaim, de man van de eerste wereldbol, de Erdapfel, en mede-ontdekker van Angola, het land dat zo belangrijk is voor de Portugese schrijfster.

Na een vlekkeloos Danke schön tegen de thee serverende ober vertelt ze enthousiast over de goede ontvangst van haar nieuwste roman, die een maand eerder in Portugal is uitgekomen. O retorno, ‘De terugkeer’, over de vijfhonderdduizend Portugezen die in 1975, na de onafhankelijkheidsverklaring van Angola, terugkeerden naar het moederland. Zelf hoorde ze daar ook bij.

‘Dit was het boek dat ik al heel lang wilde, het enige dat ik echt móest schrijven. Zo’n ingrijpende ervaring was dat. Ik groeide op met het idee dat we nooit weg zouden gaan uit Luanda, waar mijn ouders vanuit het noorden van Portugal naartoe waren verhuisd toen ik zes maanden oud was. We hadden een exportfirma van koffie. Een goed leven, we waren niet buitensporig rijk maar we leefden prettig en onbezorgd. En toen werd ik van de ene dag op de andere weggerukt uit die gelukkige jeugd en kwam ik terecht in een wereld die niets van mij, van ons wilde weten. We werden met de nek aangekeken, of zeg maar gerust gehaat door de “echte” Portugezen en in overvolle hotels gepropt. Vandaaruit moesten we een heel nieuw bestaan opbouwen, zonder geld of bezittingen, want alles was achtergebleven. Getto’s waren het, waar iedereen wanhopig het hoofd boven water probeerde te houden. Illegale handel in diamanten. Drugs. Prostitutie. Van alles. Twee jaar duurde dat microklimaat.’

Ze praat steeds sneller, alsof de wond nog steeds niet geheeld is. Het verleden zit ons altijd op de hielen, lijken haar woorden uit te schreeuwen. In Neurenberg.

‘Ook wij hadden niets meer toen we terugkeerden naar Portugal. Mijn vader was vijftig en hij moest weer van voren af aan beginnen. Ik zag hem achttien uur per dag zwoegen in de bouw. Met bloedende handen. Elf was ik. Dat is wat mij interesseert en waar O retorno over gaat,  die persoonlijke, radicale breuk, niet zozeer het afrekenen met het kolonialisme en zo.

Om mij die ellende te besparen, stuurden mijn ouders me naar de ouders van mijn vader in hun afgelegen dorp in Trás-os-Montes. Ik kende hen niet, had hen nooit eerder gezien. Ze waren oud, gingen altijd in het zwart gekleed. Verbitterd, ziek. Boeren die de kracht niet meer hadden om te werken en die veel kinderen hadden verloren. Wat moesten ze met dat kind dat raar praatte en andere gewoonten had? Toen mijn vader dat merkte, haalde hij me weg.’

Toch ligt daar ook de kiem van haar schrijverschap.

‘De ontdekking dat je andere mensen in je hoofd kon verzinnen en daarmee kon samenleven was een bevrijding voor me. Ik had in dat dorp alles verloren, mijn ouders, mijn zus, mijn oude school, de dingen waaraan ik gewend was, alles. Alsof ik op de maan was neergepoot. Ik wilde me ergens aan vastklampen en wat ik om me heen had voldeed niet. En ineens ontdekte ik dat vermogen om te verzinnen in mezelf. Dat wilde ik mijn hele verdere leven doen, werelden verzinnen waarin ik me beter voelde, en het klinkt misschien gek, maar om dat te bereiken begon ik op mijn veertiende met het nemen van typles. Als ik dat kan, komen de verhalen vanzelf, moet ik gedacht hebben. Dwaas natuurlijk, maar ik heb er wel nog altijd plezier van!’

Verder las ze alles wat ze uit de bibliotheek kon meenemen. Liefst dikke pillen, dan hoefde ze niet zo vaak terug. ‘Ik vertaalde wat ik las naar mijn eigen puberteit, pas later ontdekte ik waar het echt over ging. Ik leerde a posteriori, zou je kunnen zeggen. We worden sowieso gevormd, gekneed door fictie, door verhalen. Kijk naar de godsdienst, die bestaat louter uit verhalen (ze heeft bijbelverhalen naverteld voor kinderen, HL).’

Zoals Violeta en de engelen een langgerekte stream of consciousness is, gebruikt Dulce Maria Cardoso in Keerzijde een haast afstandelijk procedé. Door gewoon te beschrijven laat ze de tekortkomingen, echecs en machteloosheid zien.

‘We willen hoog vliegen, maar zijn niet meer dan mussen, die hooguit een eindje op kunnen fladderen en dan weer snel terugzakken op de grond. Het overkomt zelfs de rijken in de roman, die dan wel de dans van de mislukking ontspringen, maar evenzeer getekend worden door wat ze aanrichten. Hun macht brengt hen niet per se verder.’

dulce-sagt-danke-schon2

31 Augustus 1997, de dag waarop Lady Di verongelukt in Parijs. Een rijke oudere vrouw, Alice, zit thuis te piekeren over het verjaardagscadeau dat ze haar man Afonso, hoofd van een groot bedrijf en vaak op zakenreis, voor diens zestigste verjaardag zal geven. Op datzelfde moment ligt Afonso op zijn New Yorkse hotelkamer in bed met zijn secretaresse, Sofia, en speelt hij een machtsspelletje met een hotelbediende die champagne komt brengen: wat heeft hij liever, geld of Sofia? Sofia volgt op de televisie de gebeurtenissen rond de dood van Diana, samen met Eugénia, haar huishoudster, en het nieuwe dienstmeisje Elisavete, afkomstig uit Oost-Europa. Intussen chat haar zoon, Manuel, met Lily, een vrouw aan de andere kant van de wereld. Haar dochter Clara schrikt als ze Elisavete bij haar moeder ziet: vier maanden eerder heeft ze haar in het park gezien − haar vriendin Ivânia heeft haar net verlaten − en ze is op slag verliefd op haar geworden. Moeder en dochter praten over het feest, dat groot en geweldig moet worden, en over de dood van Diana. Sofia is verloofd met Júlio, die als ingenieur in een groot buitenlands bedrijf werkt en niet veel verdient, en ze wil niet dat hij haar wegbrengt of afhaalt (dat doen verloofden toch) als ze met haar baas op reis moet. Júlio heeft op afbetaling een dure ring voor Sofia gekocht.

Het klinkt banaal als je het zo leest: personages uit een soap, of telenovela. Alle ingrediënten zijn aanwezig: een rijke familie, dienstboden, buitenechtelijke verhoudingen, liefde en verliefdheid, een lesbische dochter. Banaal ja, maar wat Dulce Maria Cardoso  ermee doet, verheft het tot geweldige literatuur die vragen stelt over zaken als geluk en onvermogen, de keerzijde, met andere woorden, van de wereld die zo vals getoond wordt op het scherm en waar miljoenen in zwelgen. Ze doet dat echter niet ironisch of hooghartig, eerder nuchter en met medeleven en inlevingsvermogen. En dat laatste is nodig wanneer het verhaal zich verder ontwikkelt. Alice laat een geschiedenisleraar een biografie van haar man schrijven als cadeau; die leraar houdt er geheel eigen opvattingen op na over geschiedenis (zo heeft hij grote twijfels bij het dagboek van Anne Frank); Clara krijgt een verhouding met Elisavete en Júlio draait helemaal door als Sofia hem vertelt van haar affaire met haar baas. Hij zint op wraak, koopt een pistool bij een drugsdealer en dringt op de avond van het feest binnen in de villa van Afonso en Alice. Angst en een dramatische ontknoping.

Twee citaten uit Keerzijde tot slot: ‘Iemand die in staat is zichzelf te doden op grond van een nuttigheidsgedachte, is een gevaar. Je hoeft maar te denken aan degenen die zich opblazen voor een ideaal. Iemand die in staat is zelfmoord te plegen uit liefde, of te sterven uit liefde, doet niets anders dan zeggen, kijk, dit ben ik. Het is tragisch, maar zo ben ik nu eenmaal. Dat is het tegenovergestelde van iemand die in staat is zelfmoord te plegen voor een ideaal, want die wil iets wat niet van hem is en waar hij van uitgesloten is, namelijk goddelijk zijn. Daarom is zo iemand gevaarlijk.’

En, als uitleg van de Nederlandse titel: ‘Want alles wat bestaat heeft een tegendeel. Nacht en dag. Angst en moed. Honger en verzadiging. Kou en hitte. Liefde en haat. Ze zijn gemaakt van exact dezelfde stof, alleen tegengesteld. Je hoeft alleen maar te wachten en je komt uit bij de keerzijde van wat nu de voorkant is. Zoals je ook alleen maar hoeft te wachten om van wat nu de keerzijde is uit te komen bij de voorkant. Een en hetzelfde, dat de tijd eerst laat zien alsof het iets anders is en daarna weer als hetzelfde. In een spel van schijnbaar makkelijke regels.’

dulce-sagt-danke-schon3

Met José Eduardo Agualusa in Utrecht, de foto’s aan de muur zijn net als deze van Ana Carvalho

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*