Carlitos

autorid01495Door António Lobo Antunes

Mijn moeder vraagt me altijd
‘Wanneer trouw je nou eens?’
en terwijl mijn vader over zijn krant heen kijkt wachten ze op mijn antwoord, ik zeg
‘Als ik de ware vind’

en ga op de andere hoek van de bank zitten, met de economiebijlage, die mijn vader niet leest en waar ik niks aan vind, maar onder aan de pagina staat zoek de zeven verschillen, ik maak een rondje om een ervan (in de ene tekening is de hoed groter), maak een rondje om het tweede verschil (in de ene vaas vier, in de andere vijf bloemen), een derde kan ik niet vinden, ik steek mijn bril in mijn jas, vouw de krant dubbel, sta op en antwoord mijn moeder

‘Als ik een vrouw vind als u’
terwijl ik mijn stropdas recht schuif, want ik heb het graag netjes, mijn moeder haakt weer en zegt bescheiden
‘Aan vrouwen zoals ik is geen gebrek’
zij die mijn vader elke week laat weten
‘Jij hebt toch maar geboft dat je mij hebt gevonden’
waarop mijn vader schuin naar haar kijkt
‘Nou zeg’
en ik tegen mijn vader
‘Daar heeft ma gelijk in, hoor u hebt geboft’
mijn vader knipoogt naar me
‘Je krijgt ze bij bosjes voor een halve stuiver op elke boerenmarkt’
en bestudeert een knoop van zijn hemd, mijn moeder tegen mij van achter haar haakwerkje, verbaasd over haar eigen durf

‘Je bent toch geen homo?’
waarop mijn vader onmiddellijk afkeurend
‘Heloisa’
ik verzet het danseresje op het dressoir
‘Nee hoor wees maar niet bang’
zodat het met haar gezicht naar me toe staat, mijn moeder vol schuldgevoel
‘Ik maak toch maar een grapje’
mijn vader, nog steeds boos
‘Over sommige dingen maak je geen grappen’
ik tegen mijn vader
‘U moet niet alles zo serieus nemen’
mijn vader tegen ons tweeën
‘Denk je nou echt dat een zoon van mij homo zou kunnen zijn?’
ik tegen mijn vader
‘Natuurlijk niet dus windt u zich niet op’
mijn vader tegen niemand
‘Sommige dingen moet je gewoon niet zeggen’
mijn moeder na een stilte die tegelijk lang en kort is

‘In zijn geval bestaat er uiteraard geen gevaar’
ik tegen mijn moeder
‘Dat is nog eens een waar woord totaal geen gevaar’
mijn moeder tegen mij
‘Ik zou wel graag oma willen zijn, een kind over de vloer hebben’
ik tegen mijn moeder
‘Dat gebeurt sneller dan u denkt hoor’
en tegen mijn vader, mannen onder mekaar
‘Ik begin wel wat kanshebbers te zien’
mijn vader tegen mij
‘Op kantoor?’
ik tegen mijn vader
‘Ja, en niet alleen daar’
mijn vader hoopvol
‘Maar wel oppassen, kalmpjes aan, eerst beter leren kennen’
ik tegen mijn vader
‘Ik word veertig, pa, ik ben geen engeltje’
mijn vader tegen mij
‘Wij mannen zijn allemaal engeltjes’
ik tegen mijn vader
‘Was u bij moeder een engeltje, pa?’
mijn moeder tegen mij
‘Jouw vader wist van wanten, hij had zijn woordje wel klaar’
en ze herhaalde met een zucht
‘En wat voor woordje’
mijn vader tegen mij
‘Quatsch, zij was het, toen ze me beet had liet ze niet meer los’
mijn moeder tegen mij, gespeeld verontwaardigd

‘Zie je hoe hij is?’
ik tegen mijn moeder en tegen mijn vader
‘Jullie waren het gewoon allebei’
mijn moeder tegen mij
‘Hij meer dan ik’
mijn vader tegen haar
‘Wie was nou de man?’
ik tegen mijn moeder en tegen mijn vader
‘Maar het was toch goed of niet?’
mijn vader gaf mijn moeder een tik op de knie
‘Het lijkt soms van wel’
mijn moeder tegen mijn vader
‘Ja, op dat gedoe met Esmeralda na?’
ik tegen mijn moeder
‘En ik kwam meteen’

mijn moeder tegen mij, ineens verlegen
‘In een vloek en een zucht’
mijn vader, vergenoegd
‘En een kind waarvan we alleen maar plezier hebben gehad’
mijn moeder onderstreept
‘Goed op school, keurig, braaf, geen wildebras’
mijn vader tegen mij
‘We hebben echt geluk gehad’
mijn moeder tegen mijn vader
‘Heel veel geluk’
mijn vader tegen mij
‘Als het een collegaatje op kantoor is heb je meer tijd om haar beter te leren kennen’
mijn moeder tegen mij
‘Maar niet te hard van stapel lopen’
mijn vader tegen mij
‘Rustig aan, jongen, rustig aan’
ik tegen mijn ouders
‘Ik ga vanavond biljarten op de soos, het kan wat later worden’
mijn moeder tegen mij
‘Ik ben pas gerust als ik je de sleutel in het slot hoor steken, er kan zoveel gebeuren’
ik tegen mijn moeder
‘Maar ik word toch veertig?’

en na het avondeten kleedde ik me om, deed een geurtje op, poetste mijn schoenen, fatsoeneerde mijn haar, kleurde het wat bij, liep huppelend de trap af, zag de donkere schaduw op me staan wachten, stapte ernaartoe en kuste Tó Mané pas achter een schutting toen ik zeker wist dat niemand ons zag.

column-lobo-carlitos

 

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*