Al ooit in Brazilië geweest?

indianenGod is een Braziliaan van Harrie Lemmens werd in Brazilië vertaald als Deus é Brasileiro. Schrijver, recensent, schilder en acteur W.J. Solha schreef er een aanstekelijke en mooie recensie over.

God is een Braziliaan is een analytisch, kritisch, vlot geschreven, compact en fascinerend relaas dat ik heb gelezen alsof het een buitengewoon levendige en onthullende roman was. Het boek bestaat uit drie reizen van Lemmens door Brazilië, waardoor hij nog grondiger kennis heeft kunnen maken met het land dat hij al jaren lang constant doorkruist via de boeken van onze João Ubaldo Ribeiro, Machado de Assis, Autran Dourado, Mario Sabino, Daniel Galera enzovoort. Onder het lezen voelde ik dezelfde fascinatie als ik altijd heb ondervonden bij het portret van Brazilië dat het team van Johan Maurits heeft nagelaten, te beginnen met Barlaeus en diens immense historische werk over de Hollandse periode in Recife, en vervolgens Frans Post met zijn naar Europa meegenomen vereeuwiging van ons landschap, en Eeckhout, die hetzelfde heeft gedaan met onze soorten mensen (alle rassen). Lemmens heeft zich ook bediend van het klinische oog van Willem Piso, en dan gevoegd bij dat van een Markgraf. Zijn inzicht in wat wij zijn (stevig gefundeerd op zijn kennis van wat we ooit waren) blijkt veel groter dan dat van onszelf, want het is het inzicht van iemand die hier komt en onmiddellijk alles ziet op micro-  en macroniveau.

Ik zei dat zijn boek vlot geschreven is. En dat is het ook echt. In Belo Horizonte zegt hij op een gegeven moment, na alle beschrijvingen van wat hij ziet: ‘nee, basta, genoeg kerken’, en stapt over op het dansgezelschap Grupo Corpo, dat hij uitzonderlijk vindt. Hij doet als de cutter van een film die snijdt en inkort en fragmenten inlast om overkill te voorkomen, steeds lettend op het ritme van het kunstwerk dat het toch in de eerste plaats is.

Ik zei ook dat dit boek dicht, compact is. Hoe hij er dan toch in slaagt om het vlot leesbaar te maken? Met het scalpel van een trefzeker gebruik van eigen belevenissen en informatie. Zo brengt hij kerstavond door bij Verissimo in Porto Alegre; in Recife bezoekt hij Raimundo Carrero, die herstellende is van een beroerte; en hij ontmoet, eveneens in Recife, een dwarse, opstandige Fernando Monteiro, een behoorlijk vreemde Lourenço Mutarelli en de alleskunner Marçal Aquino in São Paulo en een onrustige José Castello in Curitiba en in Rio. Maar het beste van God is een Braziliaan is misschien het enorme aantal figuranten, mensen uit de elite en uit het volk die geschilderd worden met de hand van een Brueghel, een Otto Dix, een Daumier.

“Een perkamentachtige, geheel in het zwart gehulde dame die zo weggelopen lijkt uit een roman van Machado de Assis of Lucio Cardoso, groot romancier uit Minas Gerais. Broos. Ze wekt de indruk te verbrokkelen en tot stof te vergaan als je haar aanraakt. Behangen met sieraden. Hier is hun wereld. Mooi is de aankomst van een andere dame. Begroeting in een vertraagd vroeger. Je ziet het zelfvertrouwen van het geld. Hier kan het ook geshowd worden, buiten is te gevaarlijk.”

En hij schrijft over de showrooms van Mercedes, BMW en Porsche, en, verderop, Lamborghini’s, Ferrari’s, Bentley’s en Rolls Royces.

Waar rijden ze in godsnaam met die auto’s in een land waar klemzetten en gijzelen dagelijkse kost is?

Wrang is het detail waarmee hij de beschrijving van het Museu Afro Brasil afsluit, ook in São Paulo. Onder het schilderij van André Rebouças, groot strijder voor gelijke rechten voor de zwarten die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de afschaffing van de slavernij in 1888, ‘kruisen vier blanke bezoeksters een zwarte schoonmaakster‘. Of dit fragment uit Rio:

“Het bankgebouw is een waaier van blauwtinten  − indigo, opaal, lazuur − in strakke lijnen van beton en glas. Moderne schakelarchitectuur. Tweeënhalve meter hoog aan de gevel van het neo-hoekhuis met een smalle steeg kluwt een wirwar van draden vanuit een staalblauwe verdeler boven het straatnaambordje in dezelfde kleur: Rua do Ouvidor, ten tijde van Machado de Assis dé winkelstraat van Rio. Waar ooit de fine fleur van freules en andere juffers, zoals Flora uit Ezau en Jacob, etalages bekeek en commissies deed in deftige magasins, krioelt nu een lager echelon. Gele en groene uitverkoopborden, rekken en bakken vol afgeprijsd goed. Aqui chipi de memória, roept een venter met usb-sticks, weggeslagen door de vliegenmeppers van zijn collega: aqui mata mosquito! Kortgerokt en dungebloesd, teenslippers onder gatenjeans. Samba’s, schlagers, rockmuziek. Een kakafonie. Popcorn en gegrilde kippen, hamburgerstank en gesis van cola. Opgebroken trottoirs. Losse straatstenen en gaten, modderachtig zand.”

Hij registreert alles. Praat met intellectuelen, is opgetogen over het werk van Oscar Niemeyer, bewondert de Guanabarabaai, praat met taxichauffeurs, ophalers van oud papier, kelners, joggers in Copacabana, in een opsomming die het belabberde moment van eigendunk en van de Braziliaanse economie vastlegt, met voor- en fanatieke tegenstanders van Lula en Dilma. Hij is gechoqueerd als hij op een wegenkaart uit Bahia ziet staan: ‘Hier zijn struikrovers.’ Zijn kennis van onze geschiedenis verklaart veel voor hem:

Koninklijke verordening van 6 mei 1536: ‘Zijne majesteit, koning Dom João iii, gelast dat zwervers en leeglopers die in Lissabon langs de rivier beurzen snijden en andere vergrijpen begaan, eerst gevangenisstraf dienen te krijgen en, indien zij na vrijlating opnieuw betrapt worden op dergelijke zaken, verbannen moeten worden, en wel naar Brazilië.”

En hoeveel oplichterij vanaf ons eerste begin! Wanneer Lemmens ziet dat kerken uit de zeventiende- en achttiende eeuw vaak maar één toren hebben, vindt hij de uitleg in een kerk van Recife: “Er ligt een brochure met de geschiedenis en dan blijkt dat het een belastingtruc was: de Portugese fiscus hief belasting op voltooide gebouwen in Brazilië, ook op kerken, en daarom werden er wel twee torens ontworpen, maar nooit gebouwd. Niet af is geen belasting.”
Ronduit verrukkelijk is de vloeiende manier waarop hij in een paar woorden het werk van Jorge Amado analyseert, met diens ‘omkering van goed en kwaad’.

“Degenen die niet deugen in de samenleving, hoeren, gauwdieven en zwervers, of als minder worden gekwalificeerd, zwarten, mestiezen en landarbeiders, worden helden in zijn boeken, en alles wat aanzien heeft en hoog staat aangeschreven is pervers, gewelddadig en hebzuchtig. Schematisch, maar het werkte omdat het verrassend was.”

En zo verrast hij mij keer op keer. Bijvoorbeeld als hij in het schilderij Tiradentes van Pedro Américo een vorm bespeurt die ik er nog nooit in had gezien: ‘samen met de twee afgerukte benen en een hangende arm tekent de romp de contouren van Brazilië.’ En over de dichter Leminski schrijft hij:

Pas na zijn dood kreeg hij erkenning. Maar het was de erkenning van een stad die grote namen nodig heeft en bij gebrek aan beter genoegen neemt met wat ze eigenlijk verafschuwt. En nu is het Leminski voor en na in Curitiba.”

We weten allemaal dat Portugal een periode van grote weelde heeft gekend dankzij het goud uit Brazilië – dat voor een groot deel werd doorgesluisd naar het machtige Londen: “Wie niet terugschrikt voor het leggen van wilde verbanden, zou kunnen zeggen dat Brazilië de industriële revolutie van Engeland heeft gefinancierd.”

Als ik de balans opmaak: God is een Braziliaan is een satire op onze aloude kleinsteedsheid. Tenzij de God naar wie hier wordt verwezen die van de Joden uit het Oude Testament is: egocentrisch, onverantwoordelijk en gewelddadig. Lemmens streelt en prijst ons, maar zijn oordeel over hoe wij zijn is bikkelhard. We zullen er wel uit kunnen komen, maar dat ‘is niet gemakkelijk in een land waar laksheid, laissez faire, dedain, geweld en zelfredzaamheid, oftewel pakken wat je pakken kunt, van hoog tot laag de vijf wereldlijke geboden lijken.’

 

 

Vertaling Harrie Lemmens

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*