Niemand is zo arm als de doden

autorid01495Door António Lobo Antunes

Ik weet niet of je al dood bent. Ik schrijf dit in de trein van Montpellier naar Parijs, in een schokkerig handschrift vanwege het schommelen van de wagon, en ik weet niet of je al dood bent. Toen ik je zag liggen op de kankerafdeling, broodmager, kaal, krachteloos, haast niet in staat om te praten, dacht ik

‘Dat duurt één, twee dagen, hooguit een week’

en toch weet ik niet of je al dood bent. In het bed naast je lag een oude man die naar me keek op een manier die ik nooit zal vergeten, als een opgejaagd dier. Je had boven je bed een foto van het eerste van Belenenses hangen, met daarop geschreven − waarom zouden wij geen kampioen worden?

en zelfs al worden ze kampioen, dan nog zul jij het nooit weten, want jij gaat dood. Dood op je vierendertigste (veel te jong toch?), dood aan kanker, elke vierkante centimeter van je lijf is aangetast door de kanker, je gaat dood, Tó, je gaat dood. Jij gaat dood terwijl ik in Frankrijk het succes beleef van mijn boek, van mijn boeken, de pers en de lezers liggen aan mijn voeten, mijn uitgever behandelt me alsof ik het waardevolste schepsel op aarde ben (en dat ben ik ook), de recensenten dansen van vreugde, ik trek van de ene apotheose naar de andere en jij gaat dood, Tó, jij gaat dood en ik denk dat het is omdat je doodgaat dat je mij kunt dwingen voortdurend aan jou te denken, geen aandacht te schenken aan al dat gedoe om mij heen, te vergeten dat ik een genie ben, dat ik het ben en niet Belenenses die dit jaar kampioen is geworden, dat je mijn nachten kunt vullen met jouw glimlach, jouw moed, je broodmagere vingers die naar een kleine tv wijzen

‘Heb ik wat gezelschap’

en je ogen die uitgeput dichtvallen, je waardigheid, je pijnvermogen, je dood die zo nabij is, Tó, je dood die hier is want je gaat dood. Niemand is zo arm als de doden, zei een Amerikaanse schrijfster die ook jong is gestorven, jij bent niet alleen dóód arm, Tó, je was het ook levend, je hebt het recht niet een man te bespoken zo belangrijk als ik (wie ben jij vergeleken bij mij, jij bent niets vergeleken bij mij, je weet dat je niets bent vergeleken bij mij), laat me met rust, val me niet lastig met je levenswil, je vechtlust, probeer niet flinker te zijn dan ik (jij bent niets vergeleken bij mij), want ik leef, Tó, en jij gaat dood, kwel me niet met je plannen, je voornemens, je voelt dat je doodgaat, Tó, je gaat dood. Toen ik het ziekenhuis uitliep na het bezoek aan jou, wilde ik alleen maar tegen een zuil leunen en daar stompzinnig blijven staren naar de struiken, de bomen, de mensen die naar binnen gingen, je vader die zijn zakdoek te voorschijn haalde toen zijn stem een beetje trilde, je vader die zich meteen weer vermande, Tó, met een schaamte die het mij nog moeilijker maakte, je vader

‘Het zijn me ook dagen’

en jij binnen, dicht bij het raam, aan het doodgaan. Je zei tegen me

‘Ik zou graag willen dat u een paar dingen van mij las’

niet tijdens mijn bezoek aan de kankerafdeling, nee, een poos geleden, door de telefoon, ik

‘Natuurlijk’

om een stervende niet tegen te spreken, een jonge vent van vierendertig, volledig vernield door de ziekte, ik zonder enige bedoeling ook maar wat te lezen, mezelf in stilte verontschuldigend

‘Ik kan toch niet alles lezen wat ze me toesturen’ en toch

‘Natuurlijk doe ik dat, Tó, zeker’

proberend aardig voor je te zijn omdat jij arm bent, want niemand is zo arm als de doden en jij gaat dood. Je gaat dood en je zou zo beleefd moeten zijn mij niet mee te slepen in je dood, door me te laten denken aan mensen van wie ik hield en die er niet meer zijn, gestorven aan eenzelfde ziekte als jij, Tó, ze zijn gestorven en hebben mij verlaten, en nu is het jouw beurt, begrijp je, hoop maar niets meer, Tó, geef het maar op, hopen heeft geen zin want je gaat dood, je ligt op sterven, je ligt op sterven en ik, hier in het buitenland, te midden van al dit applaus (wat een triomftocht, ja, benijd me maar), keer terug naar mijn hotel, sluit me op in mijn kamer en zie je de hele tijd voor me, Tó, je glimlach, je slappe hand, je gebaren zonder kracht, en maak jezelf maar niets wijs want je gaat dood, verveel me niet met je plannen (je hebt geen ruimte voor plannen) je voornemens (je voert geen enkel voornemen meer uit) je dromen (wat een waanzin, dromen) houd op met fantaseren, Tó, je gaat dood, één dag nog, twee dagen, steeds suffer, steeds meer morfine, je sterft ver van mij, in Lissabon, te midden van de andere kankerpatiënten, die ook dood gaan, je gaat dood. In het raampje van de trein bomen, rivieren, de zon, moet je nagaan, warmte, moet je nagaan, schitterend weer voor mij, niet voor jou, er is geen weer meer voor jou, straks bel ik naar huis

‘En Tó?’ (en misschien blijft het stil, ja, waarschijnlijk blijft het stil, en ik)

‘En Tó?’

en dan in mijn oor

‘Tó is dood, wist je dat niet?’

Tó is dood. Ik houd hiermee op, vriend, ik heb al te veel geschreven over jouw dood zonder belang, jouw persoon zonder belang, jouw vierendertig jaar zonder belang, wie was jij helemaal? Waar zie je jezelf voor aan? Ik denk alleen dat dit een nachtmerrie is, Tó, dat het niet waar is, ik denk alleen dat dit allemaal niet waar is, ik wil alleen denken dat dit allemaal niet waar is, begrijp je, zeg mij dat dit allemaal niet waar is, zeg mij dat je niet doodgaat, Tó, dat je niet doodgaat, ik zal je verhalen lezen, dat beloof ik je, en het kan best dat ik ze mooi vind want ik mag je (denk ik), omdat het me pijn doet je dood te zien gaan, Tó, doe me een plezier en ga niet dood, zeg me met je broodmagere gezicht, je doffe ogen, je bleke mond dat je niet doodgaat, dat met een tikkeltje geluk Belenenses kampioen wordt en dat je moet blijven leven om dat mee te maken, je moet dat meemaken, Tó, Belenenses kampioen, stel je voor wat een feest dat wordt, God zeg, Belenenses kampioen!

lobo niemand is zo arm als de doden

 

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*