De dag dat Rio de Janeiro smolt – Carlos Eduardo Novaes

 

LogoRio2016

novaes 1

De schrijver, dramaturg en columnist Carlos Eduardo Novaes (1940) werd geboren in Rio de Janeiro, maar woonde lange tijd in Salvador da Bahia, waar hij Rechten studeerde. In 1969 keerde hij terug naar Rio, waar hij als journalist aan de slag ging voor de krant Última Hora. Vanaf 1972 verschenen zijn humoristische stukjes en columns in Jornal do Brasil, die in 1974 werden gebundeld onder de titel O caos nosso de cada dia. Er volgden meer bundels, romans en theaterstukken, die soms ook door hemzelf werden geregisseerd. In zijn werk neemt hij veelal de Braziliaanse politiek op de hak en maakt hij ons deelgenoot van zijn humoristische, en niet zelden surrealistische, kijk op het dagelijks leven.
Onderstaand stuk komt uit het in 1985 verschenen boek O Day After do carioca.

De day after van de carioca (Of: De dag dat Rio de Janeiro smolt)

De dag begon net als alle andere dagen in januari, althans zo leek het. Een heldere blauwe lucht met een felle zon die, hoewel nog maar net op, al krachtig scheen. Het beloofde een warme dag te worden. Een ideale ochtend voor toeristen, studenten met vrijaf en werklozen. Er is geen enkele stad die de zomer zo weet te omarmen als Rio. Odete Araújo opende het raam van haar huis in de wijk Bangu en stak haar hoofd naar buiten om te voelen wat voor weer het was. Op het trottoir zag ze iemand staan met een sigaret in zijn hand. De rook van de sigaret steeg lijnrecht omhoog, alsof er een liniaal aan te pas was gekomen. Er was geen zuchtje wind. Odete haalde diep adem, veegde met de rug van haar hand het zweet van haar voorhoofd en zei tegen de buurvrouw:

– Ik denk dat we vandaag 45 graden halen.

De bewoners van Bangu weten als geen ander hoe ze moeten omgaan met hoge temperaturen. De buurvrouw haalde haar schouders op. Een graad meer of minder maakte toch niet uit in deze helse buitenwijk. De avond ervoor gaven de thermometers in Bangu nog 44,8 graden aan, waarmee het record van de jaren ’84, ’85, ’86 en ’87 werd gebroken. Odete zei op onheilspellende toon dat het de dertiende dag op rij was dat Rio ruim 40 graden koorts had.

In het centrum van de stad verliep alles zoals anders op een doordeweekse zomerochtend. Mensen zochten de schaduw op, schoten een bar binnen, deden het wat langzamer aan. Niets abnormaals. Conciërge Ademar Ferreira zag echter op een digitale thermometer die een uur eerder nog 43 graden aangaf, dat het inmiddels 48 graden was. Zijn vriend, met wie hij op een hoek van de Avenida Rio Branco stond te praten, zei dat de thermometers op hol waren geslagen. Gisteren zag hij er nog eentje die 54 graden aangaf. Terwijl hij verderging met zijn gesprek, keek Ademar met een schuin oog naar de thermometer: 49 graden. Hij merkte dat de mensen in zijn omgeving wat onrustig werden. Voetgangers liepen zenuwachtig rond, deden hun colbert uit, trokken hun stropdas los: 50 graden. Ook anderen begonnen de stijgende temperaturen gewaar te worden. De hitte liep op: 51 graden. Rond een publieke telefooncel stond een groepje bezorgde mensen van wie er een de meteorologische dienst belde. ‘Wat is er toch aan de hand?’ De meteorologen gaven toe dat de temperatuur steeg, en niet zo’n beetje ook, maar ze hadden geen idee waarom. Ze wisten alleen dat er een koufront roerloos boven Patagonië hing.

Mensen verdrongen zich voor thermometers alsof het lotto-uitslagen waren: 53 graden. De angst en de spanning stonden op hun gezichten te lezen. De hitte werd verzengend. Het was alsof er een gasbrander onder de Avenida Rio Branco stond: 55 graden. In de zon was het niet meer te harden. Mensen zochten dekking onder een luifel. Velen zochten nerveus hun toevlucht in winkels of kantoren met airconditioning: 56 graden. Een stelletje brave burgers viel een winkel met huishoudapparatuur binnen:

– ‘Zet in godsnaam die ventilatoren aan!’ – ‘Het spijt me, maar ze zijn allemaal verkocht’, antwoordde de verkoper, terwijl hij een met zweet doordrenkte zakdoek uitkneep.

In het zuidelijke deel van de stad was ondertussen paniek uitgebroken. Edevaldo Santos, ijsverkoper op het strand, merkte dat er iets vreemds aan de hand was toen hij zijn koelbox opendeed en de stokjes zag ronddrijven in een soep van ijs: 60 graden. Het zand was te heet om nog over te lopen. Wie op het strand zat, kon geen kant meer op. Twee helikopters probeerden de strandbezoekers te ontzetten. Ouderen en kinderen eerst! Het strand was, net als de stad, één grote chaos, ook al werd de bevolking via radio en televisie verzocht kalm te blijven. De touwladder die uit de helikopters hing, was te heet om vast te pakken: 65 graden. Mensen kregen nauwelijks lucht, kelen waren kurkdroog en lichamen leken wel in brand te staan. Studente Luísa Coelho moest aan Jeanne d’ Arc denken. Bars, restaurants en supermarkten werden bestormd. Iedereen vloog op de rekken met drank af. Water, frisdrank, bier, wijn, champagne, alles wat maar vloeibaar was. Sommigen dronken zelfs schoonmaakmiddel.

Het verkeer was een gekkenhuis. Automobilisten lieten hun auto achter in de file. Overal stonden lege bussen. Voertuigen werden verbrandingsovens: 74 graden. Autobanden begonnen te smelten. Mensen trokken midden op straat hun kleren uit. Keurige kantoorlieden probeerden in hun onderbroek en op sokken, aktetas onder de arm, ongezien weg te komen. Appartementen met airconditioning vormden een toevluchtsoord, alsof het atoombunkers waren. In mijn woonkamer alleen al stonden 67 mensen zich te verdringen voor de airco: 80 graden. Totdat er opeens een vreemd geluid klonk en de airco stilviel. De stad zat zonder stroom. Door de hitte waren de elektriciteitskabels gesmolten. De zon had de ramen en het beton van gebouwen oververhit. De hitte in de appartementen werd ondraaglijk. De wanhopige bewoners gingen de straat op, op zoek naar schaduw. In Madureira stonden 23 mensen op een rij tegen elkaar aangedrukt om een streepje schaduw van een lantaarnpaal op te vangen: 84 graden!

novaes 2

Brandweerwagens reden door de straten en spoten de bevolking nat met een laatste restje water. ‘Hier, hier, schiet op, voordat ik in brand vlieg!’ In de stadsfonteinen zaten meer mensen dan in de trein naar het Centraal Station. Duizenden mensen sprongen in de Rodrigo de Freitas-lagune, die echter, net als de andere lagunes van de stad, in no time droogviel. De weinige bossen die er waren, vatten vlam. De zandpaden vertoonden scheuren van droogte die in het noordoosten niet zouden misstaan. Het asfalt begon te borrelen. Tsssj! De stad was een hoogoven geworden: 88 graden. In de haven sprongen matrozen van het dek alsof hun schepen aan het zinken waren. Op de luchthaven Santos Dumont belandde een vliegtuig met bestemming São Paulo in het water, onder luid gejuich van de passagiers.

De temperatuur had inmiddels 94 graden bereikt. In Sumaré krulden de televisieantennes zo ver om dat ze van de daken kieperden. De Suikerbroodberg begon te smelten als een ijsje in een hoorntje. Een donkere vlek verspreidde zich over de zee. In het midden dreef de gondellift rond, met Amerikaanse toeristen die alles fotografeerden. Ook andere bergen begonnen te smelten. De Dois Irmãos begon, tot ieders verbazing, uit te barsten. Het Christusbeeld boven op de Corcovadoberg was verdwenen. Ze zeggen dat Hij, toen de berg begon scheef te zakken, met zijn armen wijd wegvloog. Iedereen had visioenen en hallucinaties. Mensen kropen over de stoep aan de schaduwkant van de Rua Visconde de Pirajá en smeekten om water. Het aantal mensen dat een verschijning dacht te zien was niet te tellen. Popcornverkoper Manuel de Souza zwoer dat hij de watervallen van Sete Quedas had gezien op de Praça Nossa Senhora da Paz.

Om 17.12 uur begon de zon eindelijk in kracht af te nemen. Mensen kwamen, nog een beetje wantrouwend, voorzichtig tevoorschijn uit koelkasten, vriezers en koelcellen. In de koelruimtes van supermarkt Cibrazem bevonden zich naar verluidt 12.344 personen. Rio leek wel een heteluchtoven. Pas tegen middernacht gaven de thermometers weer normale temperaturen aan: 40 graden. Het broeikaseffect was voorbij en had een spoor van chaos en vernieling achtergelaten. In de hele stad was geen druppel water meer te vinden. We gingen slapen en op de day after gingen we allemaal naar het strand; er was immers toch geen werk. En geloof het of niet: tussen alle verkopers van hoeden en hotdogs, zoetwaren en zonnebrandolie stond warempel al een kerel een apparaatje te verkopen om zeewater te ontzouten.

 

Vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*