Hatelijke Liefdadigheid – Clarice Lispector

 

LogoRio2016clarice hatelijke liefdadigheid 1

Hatelijke liefdadigheid

Was ik die middag gevoelig of ontvankelijk? Ik liep gehaast over straat, verzonken in mijn gedachten, zoals soms gebeurt. Ineens hield mijn jurk me tegen: iets had zich eraan vastgehaakt. Ik draaide me om en zag dat het een kleine donkere hand was die bij een jongetje hoorde dat van het vuil en van zichzelf een warme huidkleur had. Het jongetje stond op de drempel van de grote banketbakkerij. Meer dan zijn half ingeslikte woorden vertelden zijn ogen mij van zijn geduldige benauwenis. Te geduldig. Ik snapte vaag dat hij ergens om vroeg, nog voor ik doorhad wat dat dan concreet was. Een beetje versuft keek ik naar hem, nog altijd twijfelend of het wel de hand van het kind was geweest die mijn gedachten had neergemaaid.

‘Een gebakje, mevrouw, asteblief een gebakje.’

Ik werd eindelijk wakker. Waar had ik aan gedacht voordat ik de jongen tegenkwam? Feit is dat diens vraag een lacune leek op te vullen, een antwoord leek te geven dat paste bij elke vraag, net zoals hevige regen de dorst kan lessen van iemand die alleen een paar slokken water wil.

Zonder naar links of naar rechts te kijken, wellicht uit schaamte, zonder naar de tafeltjes te gluren waar mogelijkerwijs een kennis een ijsje zat te eten, stapte ik naar binnen, liep naar het buffet en zei met een strengheid die alleen God kan verklaren: een gebakje voor dit jongetje hier.

Waar was ik bang voor? Ik keek niet naar het kind, wilde dat er onmiddellijk een einde kwam aan die voor mij vernederende scène. Ik vroeg: welk gebakje wil je…

Nog voor ik uitgesproken was, wees de jongen snel met zijn vinger: dat daar, met sjokela. Ik was heel even perplex, maar herstelde me en vroeg de kassajuffrouw bars hem dat te geven.

‘Welk wil je nog meer?’ vroeg ik aan het donkere jongetje.

Dat trok, terwijl het nog gretig op het eerste wachtte, met zijn mond en zijn handen, hield daarmee op, keek me even aan en zei onuitstaanbaar beleefd, met zijn tanden bloot: ik hoef geen ander. Hij spaarde mijn goedheid.

‘O jawel,’ zei ik hijgend, en ik duwde hem naar voren. De jongen weifelde even en zei: dat gele daar. Hij kreeg een gebakje in elke hand en hield beide handen boven zijn hoofd, wellicht bang om ze plat te knijpen. Zelfs de gebakjes torenden hoog boven het donkere jongetje. En zonder naar me te kijken liep hij naar buiten, of liever, rende hij weg. De kassajuffrouw had alles aangekeken: ‘Eindelijk iemand met een hart. Dat joch stond al meer dan een uur bij de deur aan iedereen te trekken die voorbijkwam, maar niemand wou hem iets geven.’

Rood van schaamte ging ik weg. Was het wel echt schaamte? Het had geen zin om te proberen de draad van mijn gedachten weer op te pakken. Ik was vervuld van een gevoel van liefde, dankbaarheid, opstand en schaamte. Maar de zon leek feller te schijnen, zoals dat heet. Ik had de gelegenheid gehad om … En daarvoor was het nodig geweest dat een mager donker jongetje … En daarvoor was het nodig geweest dat anderen hem geen gebakje hadden gegeven.

En de mensen die een ijsje zaten te eten? Wat ik me nu met tegen mezelf gerichte wreedheid afvroeg was: was ik bang geweest dat de anderen mij wel of juist niet zouden zien? Feit is dat ik de straat nog niet over was of datgene wat medelijden was geweest, was al verstikt door andere gevoelens. En nu ik alleen was, keerde datgene waar ik van tevoren aan had lopen denken langzaam terug, alleen nutteloos. In plaats van een taxi aan te houden stapte ik op de bus. Ik ging zitten.

clarice hatelijke liefdadigheid 2

‘Hebt u last van mijn pakjes?’

Het was een vrouw met een kind op schoot en voor haar op de grond een stel pakjes in krantenpapier. Nee hoor, zei ik. ‘Ta-tata,’ zei het meisje op haar schoot, en het stak haar hand uit en pakte de mouw van mijn jurk. ‘Het kind mag u,’ zei de vrouw lachend. Ik glimlachte ook.

‘Ik ben al vanaf vanmorgen onderweg,’ liet de vrouw weten. ‘Ik wou een paar vriendinnen bezoeken, maar die waren niet thuis. De ene was elders eten en de andere was met het hele gezin de stad uit.’

‘En het meisje?’

‘Het is een jongetje,’ corrigeerde ze, ‘hij draagt meisjeskleren maar het is een jongetje. Hij heeft wat gegeten. Ik niet, nog steeds niet.’

‘Uw kleinzoon?’

‘Nee, mijn zoontje, ik heb er nog drie. Moet je nou toch zien hoe aardig hij u vindt … Toe maar jongen, speel maar met mevrouw! Moet u zich voorstellen, wij wonen in een smalle passage en betalen ons blauw aan huur. Die van verleden maand hebben we nog niet betaald en deze maand zijn we ook te laat en nu wil de huisbaas ons eruit zetten. Ik kom nog tweeduizend cruzeiro tekort, maar met Gods hulp krijg ik die ook nog wel bijeen. Alleen wil de huisbaas alles in één keer. Hij denkt dat als hij vast een deel krijgt, dat ik dan bij mezelf denk: ziezo, dat heb ik betaald, de rest daar pieker ik niet over.’

Wat was die oude vrouw zich bewust van de wegen van het wantrouwen. Ze wist alles, alleen moest ze doen alsof ze het niet wist − de redenering van een groot bankier. Ze redeneerde zoals een wantrouwige huisbaas zou redeneren en ze werd niet boos.

Maar ineens verkilde ik: ik had het begrepen. De vrouw ratelde maar door. Toen haalde ik twee briefjes van duizend uit mijn tas en gaf die vol afschuw over mezelf aan de vrouw. Die aarzelde geen seconde, pakte ze aan en stak ze in een onzichtbare zak tussen wat mij ontelbare rokken leken, waarbij ze in haar haast bijna haar jongen-meisje liet vallen.

‘Moge Onze-Lieve-Heer u belonen,’ zei ze ineens met het automatisme van een bedelaar.

Vuurrood bleef ik zitten, met mijn armen over elkaar. De vrouw bleef ook naast me zitten.

Alleen praatten we niet meer. Ze was waardiger dan ik had gedacht: toen ze haar geld eenmaal had, wilde ze me niets meer vertellen. En ik kon het als meisje geklede jongetje niet meer aaien. Ik had nu immers het volste recht om wat dan ook te doen: ik had er op voorhand voor betaald.

Er was een band van ongemak tussen ons tweeën ontstaan, ik bedoel, tussen de vrouw en mij.

‘Laat mevrouw met rust, Zezinho,’ zei de vrouw.

We meden elkaars elleboog zorgvuldig. Er viel niets meer te zeggen en de weg was nog lang. Verward bekeek ik haar van opzij: oud en vuil, zoals je zegt van dingen. En de vrouw wist dat ik haar had bekeken.

En zo ontstond er iets van woede tussen ons. Alleen het hybride wezentje vulde de middag stralend met zijn lieve gehamer: ‘Ta ta ta.’

 

 

Uit: De ontdekking van de wereld
De Arbeiderspers
Vertaald door Harrie Lemmens
Foto’s Ana Carvalho

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*