De onzichtbare stad – J.P. Cuenca

LogoRio2016

cuenca

João Paulo Cuenca (Rio de Janeiro, 1978) is een jonge Braziliaanse schrijver en cineast. Hij heeft inmiddels vier romans geschreven: Corpo Presente (2003), O dia Mastroianni (2007), O único final feliz para uma história de amor é um acidente (2010) en Descobri que estava morto (2015). Hij geldt als een van de meest veelbelovende jonge Latijns-Amerikaanse auteurs van dit moment. Cuenca schrijft voor diverse Braziliaanse kranten en is jarenlang columnist geweest voor O Globo. Momenteel schrijft hij columns voor de krant Folha de São Paulo. In 2014 produceerde hij zijn eerste film, op basis van een door hemzelf geschreven script: A morte de J.P. Cuenca. Een aantal van zijn boeken is in het Engels, Duits en Italiaans vertaald, maar nog niet in het Nederlands. Onderstaand stuk verscheen op 28 februari 2013 in de Braziliaanse krant O Globo.

De onzichtbare stad

In mijn vroegste herinnering aan Rio sta ik als kleuter te wiebelen op de puinhopen van een huis. Ik zie stenen en tegels tussen een wirwar van nutteloze buizen, een witte wastafel ligt ondersteboven – de porseleinen sokkel steekt hoog boven de rommel uit, als de lange hals van een reiger in een poel.

Wanneer ik op de grond de sticker aantref die op het raam van mijn kamer was geplakt, herken ik eindelijk het huis waar ik heb gewoond. Op het stukje plastic, mijn rosebud, staat met koeien van letters: ‘FIORUCCI’.

Dat was in ’82 of ’83. De Vila Palácio bevond zich in de Rua Silveira Martins, in Catete. Van ons huis, het enige waarin mijn ouders ooit samen hebben gewoond, herinner ik me alleen de overblijfselen. Het huis werd afgebroken om plaats te maken voor een groot grijs gebouw van elf verdiepingen. Over een paar jaar, als we allemaal dood zijn, is er niemand meer die zich de Vila Palácio in Catete nog herinnert. En leeft de herinnering, zoals in zoveel gevallen, alleen voort op foto’s.

Een ander symbolisch adres uit mijn jeugd, een gebouw van drie verdiepingen boven de Luna Bar in Leblon, werd ook gesloopt om ruimte te maken voor een zwarte glazen kubus. Alles bij elkaar heb ik in Rio tot dusver op 13 verschillende adressen gewoond. Ik ben bevoorrecht: in tegenstelling tot de cariocas die in 1808 het plakkaat van de prins-regent of in 2012 een order van de gemeentelijke woningdienst op hun deur aantroffen, ben ik nooit op een vernederende manier uit mijn huis gezet en is mijn eigendom nooit op schandalige wijze door de staat in beslag genomen.

Ik loop door Catete en denk aan het Italiaanse woord pentimento, dat ‘berouw’ betekent, maar in de beeldende kunst een andere betekenis heeft. Bij een schilderij bestaat het pentimento uit schetsen en vorige versies van het werk, vaak ontdekt met behulp van röntgentechniek. Het is een registratie van de oorspronkelijke, maar later gewijzigde ideeën van de schilder, die bij nader inzien besloot een arm in een andere houding te plaatsen, een persoon weg te halen of het schilderij zelfs compleet te veranderen.

Onze pentimenti, die helaas niet uit handen van een kunstenaar komen, zijn al deze verdwenen huizen, gebouwen, bars en bioscopen die ik overal nog zie. En ik ben niet de enige: de dichter Manuel Bandeira schreef in 1942 over zijn gesloopte woning in de Beco do Rato:

“Dit huis wordt afgebroken.
Maar mijn kamer blijft bestaan.
Niet als onvolmaakte vorm
In deze wereld van schone schijn:
Mijn kamer blijft zoals hij is,
Met zijn boeken en schilderijen,
Altijd op mijn netvlies staan!”

Deze stad wordt vanaf haar stichting tot op de dag van vandaag gekenmerkt door die ingrijpende ontmanteling van het erfgoed en de nostalgie die dat bij ons oproept. Wij leven hier altijd in het moment. In Rio eindigt en begint de geschiedenis elke dag opnieuw – vaak boven op de puinhopen van een gesloopt huis.

 

Vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*