Twee oefeningen in aankomen te Rio de Janeiro

LogoRio2016$_85

Willem Julius van Balen was Zuid-Amerikanist en schrijver van verscheidene boeken over aardrijkskunde, geschiedenis en economie van verschillende landen waaronder Nederland, Zuid-Amerika, Oost Europa, Portugal. Hij beschreef tweemaal een moment van aankomst in Rio de Janeiro dat hieronder geplaatst is.

 

Tekstfragmenten gekozen en ingeleid door Piet Janssen

De Koninklijke Bibliotheek in ’s Gravenhage heeft Willem Julius van Balen nooit laten overlijden, in de catalogus staat achter zijn naam nog steeds (1890 – ). Als hij nog zou leven, was hij met 126 jaar ongetwijfeld de oudste nog levende sterveling. Het jaar van zijn overlijden, 1984, is wel te vinden op de website van Mari Smits die over de lotgevallen van Nederlandse emigranten in Brazilië schrijft.

Van Balen schreef over – wat hij noemde – de A.B.C.-staten (Argentinië, Brazilië en Chili), over Zuid-Amerika, over heel Amerika, maar ook over Portugal en de relatie die Nederland met de beschreven landen had. Boeren die na de Tweede Wereldoorlog plannen hadden om te emigreren zullen na lezing van Nederland en de A.B.C.-staten (1945) niet voor Brazilië gekozen hebben, want het was daar moeilijk boeren en niet alleen voor boeren. Maar weinigen slaagden, waarschuwde hij. De vijftig boeken die hij tot 1967 geschreven had, vormden een informatiebron voor diplomaten, voor de kringen van het bankwezen, scheep- en luchtvaart, handel en industrie, zo luidt het in de inleiding van Nederland, Portugal en Brazilië. Bij dat werkje werd een voorwoord geschreven door Jozef Luns, minister van Buitenlandse Zaken, en op de eerste foto van hetzelfde boekje kreeg Van Balen door de Braziliaanse ambassadeur de onderscheiding Commandeur Zuiderkruis omgehangen. Mr. W.J. van Balen – zoals hij zich meestal als auteur presenteerde – was dus echt een belangrijk en gewaardeerd man.

Als je meer dan vijftig boeken op je naam hebt staan – hij schreef ook nog onder de namen Julius Tamanco en Willem van Reymerswaal -, dan kon je beslist schrijven. Zijn boeken vonden aftrek, niet alleen omdat hij goed schreef, maar ook omdat hij  informeerde door de foto’s waarmee hij zijn teksten illustreerde. Zo heeft het vierhonderd pagina’s tellende Zoeklicht op Zuid-Amerika (1949) meer dan driehonderd foto’s van zijn hand.6546

Het kan niet anders of Van Balen moet een grote reis- en schrijflust, of misschien zelfs reis- en schrijfwoede hebben gehad. Hij werd in 1890 in Den Haag geboren en promoveerde in 1912 in de rechten. Hij had al een groot deel van Europa bereisd, alvorens  hij een studiereis door de V.S. en Canada maakte. In 1914 trad hij in dienst van de Koninklijke Hollandsche Lloyd. Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog was zijn standplaats Rio de Janeiro, zijn uitvalbasis voor al zijn studiereizen door heel Zuid-Amerika. En zo gaat het maar door, is te lezen in Zoeklicht op Zuid-Amerika. Hij was een energiek en intelligent persoon.

Wat me ooit voor hem innam, waren niet alleen zijn boeken, maar vooral was het een kort briefje dat hij op 17 juni 1944 vanaf zijn evacuatie-adres in Wassenaar schreef aan de firma Jonker & Stans in Hendrik Ido Ambacht. Hij schreef:

‘Van mijn boek Zuid-Amerika wil ik U met genoegen mijn eigen exemplaar ter lezing afstaan; bij gelegenheid krijg ik het dan wel weer van U terug.’

Of hij zijn eigen exemplaar na de oorlog heeft teruggekregen, weet ik niet. Maar mijn conclusie is wel dat hij een edele geest was. Honderd jaar geleden beschreef Willem Julius van Balen in zijn in 1920 verschenen boek Zuid-Amerika zijn aankomst in Rio de Janeiro:

Een ieder die de Guanabara-baai vanuit zee binnen gevaren is, heeft daar wel een diepen en blijvenden indruk van behouden. Geen stad ter wereld spreidt hare natuurlijke schoonheden zoo overdadig ten toon en nergens op aarde vindt men de bekoorlijkheden der natuur zo gegroepeerd dat zij, aangevuld door menschenwerk, wel coulissen schijnen, die geheel  zijn berekend  op het teweegbrengen van een grootsche illusie.

26EF633400000578-3008513-image-a-14_1427287001105-300x200

Reeds ver vanuit de zee trekt het grillige kustsilhouet de aandacht: groteske rotsgedaanten, scherpe pieken, welvende bergnauwten vormen een keten, die zich onder het naderen in steeds meer schakels oplost, en zich in een wijden boog om het binnenvarende schip spant. Aan den ingang van de baai rijst de houvastloze steenklomp van het suikerbrood (Pão de Assucar) uit de golven omhoog, en dan houdt de deining van den Oceaan op: het schip glijdt zacht de zich in een breeden kring openende baai in, en glijdt langs de kleurige voorstadsoevers naar de ankerplaats recht voor de stad. Vroolijk steken de witte en groene huizen met hun roode daken af tegen de donkere tropengroei op de bergen. Beneden langs den oever gluren heldere villa’s tusschen tuinen en boomgroepen uit, en daarboven klimmen de straten tegen hellingen op, als terrassen boven elkaar. Dan eindigt de diepingesneden kartelrand der bergen tegen den blauwen hemel: de scherpe hoorn van den Corcovado, de platte tafelberg Gavea en de sierlijke top der Tijuca. Rijzige palmen wuiven op de eilandjes die volbeladen zijn met kleurige oude vestingwerken. Naar een dier eilanden schrijdt hoog over het water een stalen brug van luchtig spijlenwerk, waar snelle marinesloepen en spattende sleepboten onderdoor ijlen. Een stugge veerboot stevent dwars over de baai, naar Nictheroy, dat als een rij van blokkendoos huisjes een lieflijken heuveloever omzoomt. Achter de eilandjes openen diepe verschieten van nog meer baaien en inhammen, waar roestige vrachtschepen geankerd liggen te midden van lichters en bootjes, en op den achtergrond sluit zich de doorkijk met een blauw gordijn; de serra dos Orgãos, een stijve bergmuur, waarvan enkele scherpe rotsnaalden de lucht insteken. Dat is de Dedo de Deus of Vinger Gods.

Nadat het schip ter reede achtereenvolgens bezocht is door den havendokter, de douane, de politie, de immigratie en de post, stoomt het langzaam om de Ilhas das Cobras heen, en meert  vooraan de nieuwe kade, vlak voor de bagageloods, en tegenover de Avenida, de groote boulevard van Rio.’

Dertig jaar later beschreef  Van Balen in zijn boek Zoeklicht op Zuid-Amerika (1949)  de aankomst in Rio op een iets andere manier:

‘Geen stad ter wereld is zo fraai gelegen als Rio de Janeiro, de hoofdstad van Brazilië. Ontelbare malen ben ik in de loop van nu reeds meer dan dertig jaar binnengekomen, per boot, per trein, te paard, te voet, per vliegtuig, – en telkens opnieuw pakt mij op machtige wijze de verbijsterende schoonheid van dit gehele schouwspel. Het lijkt een geniale toneelzetting, met décors die ontworpen schijnen te zijn om met één slag de toeschouwers te overdonderen.

Reeds van verre, wanneer het schip nog op de oceaandeining wiegelt of het vliegtuig dwars over bergen en bossen koers zet naar de luchthaven, doet zich het grillige silhouet van Rio als iets heel bijzonders voor: een kartelrand van veelsoortig gevormde rotstoppen die zich in een ruime kring aaneensluiten rondom een wijd uiteengerafelde waterplas. Eilanden liggen hier en daar in zee verspreid als een voorhoede van de hoofdmacht die volgt.

Bij het naderkomen schuiven die pieken en rotsklompen uiteen en langs elkaar, als gleed men tussen coulissen door. Om beurten openen of bedekken zij doorkijkjes naar baaien en inhammen, waarvan vele gezoomd zijn met bibberige lijntjes die bij nauwkeuriger bezien rijen van wolkenkrabberachtige huizen blijken te zijn, in reeksen en guirlandes langs halvemaanvormig gebogen stranden geschaard. Boven die helderwitte randen der bebouwing strengelen zich kransen van krullig woud aaneen, en daaroverheen gluren grijze of bronzige rotsformaties, in tal van wonderlijke gedaanten, maar met dat al een rustige en gelijkmatige omlijsting vormend van het woelige toneeltje op het middenplan.

Want daar gaan in de blanke Guanabarabaai doorlopend tal van schepen ten anker en anderen stevenen naar buiten, terwijl onophoudelijk vliegtuigen opstijgen en wegcirkelen, of al rondkoersend hun landingsbaan zoeken op het vliegveld dat zich midden in die omsloten watervlakte tegen het centrum van de stad aanvlijt. Veerboten koersen stug van oever tot oever. Oorlogsbodems vormen grijze plekken in een tinteling van licht en kleuren.

Snelle motorbootjes doorklieven de kabbeling, waar gladde zonnespiegelingen overheen dansen. Een metalen brug schrijdt ijl van spijlen uit een vesting aan de wal naar een fort op een eilandje. Slanke torenhuizen verrijzen over een breed front, enkelen sierlijk apart, doch de meesten in bundels en hoopjes bijeen klittend, zodat ieders hoogte, hoe aanzienlijk ook, tenslotte teloorgaat in de samenstapeling. Eventjes schittert de vergulde toren van een kathedraal boven het geroezemoes van een waterfront vol schuiten met fruit en groente.

Rondom, ook in de verte achter het watervlak, omgeeft ons de zachtgolvende kringlijn van wollige begroeide bergen en heuvels, tot waar heel in de verte een steil opstaande rand verrijst, met scherpe inkepingen als van een hanekam, en één piek die pathetisch boven deze orgelpijpen omhoogsteekt: de Vinger Gods, vermanend boven deze verbluffend bekoorlijke miljoenenstad opgeheven.’

van balen 1

Noot en een opmerking:

Toen zijn eerste boek uitkwam, Van Balen was misschien net dertig, was hij al uit Rio de Janeiro vertrokken. Hij woonde in Berlijn sinds 1919 en werkte daar als hoofdvertegenwoordiger der Amsterdamsche scheepvaartlijnen voor heel Oost-Europa. En, zo staat het in zijn boek Zoeklicht op Zuid-Amerika, ‘organiseerde hij als zodanig de grote landverhuizing uit de Baltische en Balkanlanden naar Zuid-Amerika. Aanvankelijk alleen voor zijn Nederlandse principalen, doch vervolgens namens een groepering van alle stoomvaartlijnen op Zuid-Amerika. Hij verplaatste daartoe zijn standplaats naar Wenen en later naar Parijs.

Hij stelde na het beëindigen van deze taak zijn Zuid-Amerikaanse ervaring ter beschikking aan de Nederlandsche handelsbelangen bij dat werelddeel, en werd herhaaldelijk daarheen uitgezonden als adviseur of vertrouwensman van diverse opdrachtgevers uit de kringen van handel, nijverheid, vervoerswezen en overheid. En was een der oprichters van het Nederlandsch Zuid-Amerikaansch Instituut.’

Persoonlijk vind ik de eerste aankomst mooier geschreven. Van Balen hanteert voor de twee stukken hetzelfde schema, maar op de een of andere manier is het tweede stuk compacter geschreven, minder los dan het eerste, terwijl je misschien zou verwachten dat de ontwikkeling van een schrijfstijl omgekeerd zou verlopen.
Zie ook de site over Nederlandse emigranten in Brazilië www.holambra.nl

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*