Macunaíma – de held zonder enig karakter

nascimentobrasil2

Het begin van Brazilië, of liever: het tweede begin van Brazilië,

Door Mario de Andrade

In 1500 bereikt Pedro Álvares Cabral op weg naar India onbekend grondgebied. In zijn gezelschap bevindt zich Pêro Vaz de Caminha, die het logboek bijhoudt en in zijn beroemde Carta, ‘brief’, aan koning Dom Manuel i verslag uitbrengt van de eerste dagen in dit nieuwe land. Het is de geboorteoorkonde van Brazilië.

Ruim vierhonderd jaar later vindt in São Paulo de spraakmakende Semana de Arte Moderna plaats, de ‘week van de moderne kunst’, waar de grondsteen wordt gelegd voor de Braziliaanse variant van het modernisme. Anders dan in Portugal, waar Pessoa, Sá-Carneiro en hun trawanten zich qua vorm en inhoud op de wereld richten, keren Mário en Oswald de Andrade zich juist naar binnen, naar de roots van Brazilië, waaraan ze met alle moderne wereldse middelen vormgeven. Als een nieuwe, en ditmaal echte geboorte van Brazilië, land waar de rassen versmelten en de culturen met elkaar vergroeien. Een van de hoogtepunten is de roman Macunaíma, die enkele jaren later verschijnt, met de luie schelm Macunaíma, held zonder karakter, die alle trekken van dit nieuwe ras in zich verenigt, als hoofdpersoon.

 

Diep in het oerwoud werd Macunaíma geboren, de held van ons volk. Hij was pikzwart, een kind van de angst voor het donker. Op een keer was de stilte, die naar het kabbelen van de Uraricoera luisterde, zo diep dat de indiaanse Tapanhumas een lelijk kind ter wereld bracht. Dat kind kreeg de naam Macunaíma.

Als kind al deed hij verbluffende dingen. Om te beginnen praatte hij de eerste zes jaar niet. Wanneer iemand hem toch tot praten probeerde te bewegen, rekte hij zich lui uit, riep:

‘Poeh, hè hè…!’

en zei verder niets. Hij bleef in een hoekje van de maloca, de grote gemeenschappelijk hut, op het palmbed zitten kijken hoe de anderen aan het werk waren, vooral de twee broers die hij had, Maanape, al flink op leeftijd, en Jiguê, in de kracht van zijn leven. Intussen vermaakte hij zich met het onthoofden van mieren. Hij voerde niets uit, maar als hij geld zag, was hij er als de kippen bij om een stuiver mee te pikken. En hij werd ook wakker als de familie ging zwemmen in de rivier, allemaal samen en poedelnaakt. Dan dook hij de hele tijd en de vrouwen slaakten kreetjes van genot vanwege de kreeften die naar men zegt daar in het zoetwater zaten. Als er in het dorp een grietje naar hem toe kwam om hem te aaien, greep Macunaíma naar haar edele delen en dan rende het grietje weg. Jongens en mannen spuwde hij in het gezicht. Maar hij toonde ontzag voor de oudjes en deed vol toewijding mee aan de murua, de poracê, de torê, de bacorocô en de cucuicogue, al die religieuze dansen van de stam.

Als het tijd was om te slapen, kroop hij in zijn wiegje van gevlochten takken, zonder eerst te plassen. Dat vergat hij altijd en omdat de hangmat van zijn moeder onder die macuru hing, sproeide hij zijn warme plas over het oudje, tot schrik van de muggen. Dan viel hij in slaap en droomde over buitenissige schunnigheden vol vuile taal en schopte met zijn beentjes in de lucht.

In de gesprekken van de vrouwen op het heetst van de dag ging het steevast over de schelmenstreken van onze held. De vrouwen moesten hartelijk lachen en vonden hem enig, zeiden dat ‘een doorn die prikt al steekt als hij klein is’, en tijdens een bezweringsritueel hield Koning Nagô een toespraak waarin hij waarschuwde dat onze held pienter was.

Hij was nog geen zes toen ze hem water in een bel gaven en Macunaíma begon net als iedereen te praten. En hij vroeg zijn moeder om op te houden met het fijnstampen van maniok en met hem mee te gaan wandelen in het bos. Zijn moeder zei nee, want ze kon toch niet zomaar haar maniok aan de kant leggen. Macunaíma bleef de hele godganse dag jengelen en zeuren. Ook ’s nachts huilde hij door. De volgende morgen wachtte hij met zijn linkeroog dicht tot zijn moeder begon te werken. Toen vroeg hij haar om op te houden met het vlechten van een mand van guarumá-membeca en met hem mee te gaan wandelen. Zijn moeder zei nee, want ze kon toch niet zomaar haar mand aan de kant leggen. En ze vroeg haar schoondochter, de levensgezellin van Jiguê, om het kind mee te nemen. De gezellin van Jiguê was nog piepjong en heette Sofará. Ze kwam wantrouwig dichterbij maar ditmaal hield Macunaíma zich rustig en werd niet handtastelijk. Het meisje droeg de blaag op haar rug naar de grote aningastruik op de oever van de rivier. Het water was stil blijven staan om de bladeren van de javaripalm kostelijk te laten ritselen. Het uitzicht was prachtig, met allerlei vogels, biguás en biguatingas, die fladderden waar de stroom smaller werd. Het meisje zette Macunaíma op het strand, maar hij begon onmiddellijk te jammeren dat het daar vol mieren zat en vroeg Sofará om hem naar het ravijn in het bos te brengen. Dat deed ze, maar zodra ze de bengel op de dikke humuslaag van tiriricas, tajás en trapoerabas legde, veranderde hij als bij toverslag in een knappe prins. Wat liepen ze er lang rond!

Toen ze terugkwamen in de maloca leek het meisje doodmoe van het lange zeulen met de blaag, maar dat was omdat onze held veel met haar gedold had. Ze had Macunaíma nog niet goed en wel in de hangmat gelegd of Jiguê kwam thuis van het vissen met zijn puçá-net en zijn gezellin had helemaal niets uitgevoerd. Jiguê werd boos en nadat hij zich bevrijd had van alle bloedzuigers gaf hij haar een flink pak slaag. Sofará gaf geen kik.

Enzovoort enzovoort enzovoort De Braziliaan is geboren.  Onze held. ’Que preguiça!’, ‘Poeh, hè hè…!’ 

 

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*