De geur van de aarde in Afrika

lobo de geur van afrika

Door António Lobo Antunes

Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik ergens anders thuishoorde. Ik snapte de woorden niet die ze tegen me zeiden en ik vond het gek dat de mensen niet hoorden wat ik hoorde. Op school en aan de universiteit verontrustte mij dat gevoel dat ik niet van hier ben. Ik maakte mij een gedrag eigen dat niet van mij was, een taalgebruik dat niet overeenkwam met het mijne, emoties die totaal geen weerklank in mij vonden. Diep in mijn ziel was ik op bezoek en moest ik uit noodzaak en goed fatsoen de plaatselijke gewoonten overnemen, die mij ingewikkeld en zinloos leken. Nog steeds verbaast het mij als mensen vinden dat ik geen accent heb, en dan bedoel ik niet de taal maar de hele rest. Ik praat weinig, neem zelden ergens aan deel en heb geen gezelligheidsleven: hele etentjes zeg ik geen stom woord, in de stad verdwaal ik, de simpelste weg raak ik kwijt, op het vliegveld vergis ik mij steevast in de gate en ik vind het raar dat er geen stambomen worden geplant in parken.

(Een mevrouw schudt het tafelkleed uit in het raam naast mij en laat een regen kruimels neerdalen op het wasgoed van de flat daaronder.)

Net als alle inboorlingen ben ik vatbaar voor de ziekten van de beschaafden: toen ik een jaar was werd ik getroffen door nekkramp, op mijn derde of vierde kreeg ik een tuberculeuze ontsteking. In Afrika daarentegen heb ik, in tegenstelling tot mijn maten, geen greintje last gehad van moeraskoorts. Misschien kom ik eigenlijk wel daarvandaan: ik heb anders geen idee waarom de geur van de aarde daar mij zo vertrouwd was.

(De mevrouw van het wasgoed van de onderste flat begint met haar hoofd omhoog gedraaid te protesteren. Het zal niet lang meer duren of hun mannen bedreigen elkaar brullend.)

Waar was ik gebleven? O ja, bij de geur van de aarde in Afrika

(de man van de mevrouw van het tafelkleed verschijnt met een sigaret in zijn mond in het raam om poolshoogte te nemen)

bij de geur van de aarde in

(en de man van de mevrouw van het wasgoed, zonder sigaret maar met een armband om zijn pols van het soort dat galeislaven vroeger om hun enkels hadden zitten, alleen van goud, draait zijn hoofd ook naar boven, voorlopig zonder enig protest. De twee mannen tasten elkaar af, op de rand van de eerste snauw).

bij de geur van de aarde in Afrika. Daar, bij de geur van de aarde in Afrika.

(De kruimeloorlog die elk moment kan uitbreken boeit me meer dan het feit dat ik ergens anders thuishoor. En de gouden armband is werkelijk een patjepeeërsmonster, kolossaal, loodzwaar, opzichtig. Zou zoiets mij staan?)

Bij de geur van de aarde in Afrika.

(De mevrouw van het wasgoed houdt het vooralsnog bij

‘Het is toch godgeklaagd’

de mevrouw van het tafelkleed schuift de koningspion naar voren

‘Alsof die vodden van jou iets waard zijn’

de man die zijn hoofd omhoog heeft gedraaid vat moed

‘Zijn die van jou soms beter?’)

Bij de geur van de aarde in

(De man van het tafelkleed laat zijn as op hem vallen en de armband van de man van het wasgoed fonkelt, er bungelt een tand aan, eveneens van goud, hij berispt zijn vrouw

‘Hoe vaak moet ik je nog zeggen dat je niet moet reageren op gekken?’)

bij de geur van de aarde

(De zoon van de mevrouw van het wasgoed, in een Amerikaans basketbalshirt, heft zijn ellenboog op voor de worp

‘Zijn jullie aan het praten met die luilebollen?’

en trekt zich terug om de driepunter te vieren.)

bij de geur van de

(De mevrouw van het tafelkleed zet de tegenaanval in

‘Meneer de junk heeft ook wat’

terwijl haar man aarzelt: ik vermoed dat hij de man van het wasgoed al eens tegengekomen is in de lift en dus weet dat die twee keer zo breed is, afgezien van zijn verschrikkelijke ketting. Het is duidelijk dat hij zit te denken

Gooi ik mijn sigaret op hun harses of doe ik dat niet?

en dat hij er nog niet uit is. De zoon met het Amerikaanse basketbalshirt schreeuwt vanbinnen, onzichtbaar

‘Jouw dochter is een junk, stom kutwijf’

en speelt niet meer mee.)

Bij de geur

(De man van het wasgoed

‘Ik zal ze wel even leren’

verdwijnt op zijn beurt: waarschijnlijk drukt hij nu op het liftknopje om een verdieping omhoog te gaan: je moet je energie sparen voor het beslissende gevecht en helaas zal ik vanaf waar ik zit niet het bonken op de voordeur kunnen horen. De mevrouw van het tafelkleed kijkt achterom, vermoedelijk in de richting van die voordeur, ze haalt misprijzend haar wenkbrauw op tegen haar man

‘Je gaat me toch niet vertellen dat je bang bent voor die proleet’

haar man veert overeind, denkt nog eens na, zakt weer ineen, laat zijn schouders hangen, net als de sigaret in zijn mond, ik bevind mij links van hem, iets in hem roept om hulp, houdt daarmee op en glijdt als was van de vensterbank.)

Bij de geur van de aarde in Afrika, zei ik. Daar was ik gebleven. En over die geur ga ik een dezer dagen verder met deze column. Voorlopig koester ik de hoop te zien hoe een gouden armband de man als was wurgt met het tafelkleed: ‘Schrijver getuige van moord tussen buren.’ En ik leen het Amerikaanse basketbalshirt om er flitsender uit te zien in de kranten.

 

Vertaling Harrie Lemmens

Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*