Prémio Machado de Assis naar Ignácio de Loyola Brandão

Ignácio-Loyola-brandão portret

De belangrijkste Braziliaanse literaire prijs, de Prémio Machado de Assis, kende tot dit jaar meerdere winnaars, verdeeld over diverse genres. Nu is het een oeuvreprijs geworden. De eerste auteur aan wie 20 juli aanstaande de prijs met het bijbehorende bedrag van driehonderdduizend real wordt uitgereikt, is Ignácio de Loyola Brandão.

Ignácio de Loyola Brandão wordt in 1936 geboren in Araraquara, een stad in de deelstaat SãPaulo, maar verhuist op eenentwintigjarige leeftijd naar de stad São Paulo. Hij debuteert in 1965 met een verhalenbundel. In de jaren zestig en zeventig schrijft hij over het leven in de grote stad en het verlangen naar bevrijding van knellende wetten op allerlei vlakken, tegen de achtergrond van de dictatuur die Brazilië dan is. Zijn tweede roman, Zero (‘Nul’) wordt jarenlang verboden. Niet alleen wat thematiek maar ook wat stijl en taalgebruik betreft vernieuwend. Zijn laatste roman, A altura e a largura do nada (‘De hoogte en breedte van het niets’)  dateert van tien jaar geleden. Naast verhalen en romans schreef hij reisboeken, toneel, kinderboeken en biografieën. We publiceren hier een kort verhaal uit de bundel Cabeças de Segunda-Feira (‘Blauwe-maandaghoofden’), 1983.

 

loyola brandao

De prefabdwerg en haar vader, de ambitieuze rammerdrammer

Er was eens een prefabdwerg. Ze was vijftig centimeter groot. Haar ouders waren normaal. De dwerg was dwerg omdat haar vader haar van kleins af met zijn moker op het hoofd had geslagen. Als hij sloeg, zei hij daarbij: ‘Kleiner worden, kind.’ Haar vader droomde ervan een dochter te hebben die bij het circus werkte. En als hij een dwerg had, zou het circus die aannemen.

En zo groeide het meisje niet. Ze had kromme beentjes, een hoofd zo plat als een tafel en uitpuilende ogen: een oogbol was er door de mokerslagen uitgefloept. En dat oog hing te zwabberen aan zijn zenuwstrengen. Met dat hangende oog onderzocht het meisje de grond – en ze deed dat nauwkeurig. Daarom stootte ze zich nooit.

Het meisje werd kleiner, ging naar school en kreeg een diploma. En haar vader wachtte tot het circus naar de stad kwam. De dwerg had weinig vriendjes in haar leven. De jongens in het dorp hielden niet van dat hoofd zo plat als een tafel. Een van haar vriendjes was stom, de ander blind.

Met het verstrijken van de jaren bracht de vader zijn dwergdochter diverse circusnummers bij: koorddansen, messenwerpen, jongleren met borden op stokjes, evenwichtskunst, rolschaatsen, oefeningen doen aan de rekstok, door een brandende hoepel springen, (voor de grap) op de grond vallen zonder zich te bezeren, op de rug van een rijdend paard staan.

Af en toe leende de vader zijn dochter vanwege de kermis uit aan de pastoor. Zij verving het konijn bij de loterij. Daarvoor werden een heleboel hokjes in een kring gezet. Elk hokje had een nummer. Op een teken van de spullenbaas rende het meisje rond en stapte in een hokje. Degene die dat nummer had won de bijbehorende prijs. Het dwergmeisje hield niet van de kermis, want ze werd er eerst doodmoe van en de dag erna heel verdrietig door toedoen van degenen die niets hadden gewonnen. Die liepen haar namelijk op straat achterna en schreeuwden: ‘Hé lilliputter, klein …, waarom ben je niet in mijn nummer gestapt?’

Op zekere dag kwam het circus in het stadje, met een kleurrijke tent, een helemaal roze olifant, een jaguar, clowns, affiches en een dikke trapezewerkster die voortdurend in het vangnet viel. De vader liet een rood satijnen jurkje maken voor zijn dochter, met een groene riem. Hij kocht ook zwarte schoenen en kniekousen voor haar. Daarna nam hij zijn dochter mee  naar het circus. Ze liet zien wat ze allemaal kon, maar de directeur zei dat ze dat ze dat al hadden: koorddansen, jongleren, door brandende hoepels springen, staande op een paard rondrijden. Eén nummer was nog onbezet, maar dat wilde hij niet aan het meisje geven, want hij vond de dwerg daarvoor veel te mooi. De vader wilde echter per se en het meisje ook. Ze was het spuugzat te leven in dat stadje, waar de mensen de godganse tijd televisie keken. En de directeur van het circus zei ten slotte dat ze de act kreeg: het dwergmeisje zou opgevreten worden door de leeuw, want er heerste een schromelijk tekort aan vlees. En de volgende dag om zes uur douchte het meisje, deed parfum op, at, trok haar rode jurkje met de groene riem aan, stak een roos in haar haar en ging tevreden naar haar werk.

Vertaling Harrie Lemmens

Foto: Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*