Vrouwen van as – Mia Couto

Mia-Couto-Vrouwen-van-as-roman-uit-Mozambique

Opmerking vooraf

Dit boek gaat over de laatste dagen van wat de Gazastaat heette, het op een na grootste door een Afrikaan geleide keizerrijk in Afrika. Ngungunyane (of Gungunhana, zoals hij bekend werd bij de Portugezen) was de laatste keizer die heerste over de hele zuidelijke helft van wat nu Mozambique is. In 1895 werd hij door een Portugese legermacht onder leiding van Mouzinho de Albuquerque verslagen en gedeporteerd naar de Azoren, waar hij in 1906 kwam te overlijden. Zijn stoffelijke resten werden in 1985 overgebracht naar Mozambique, maar sommigen beweren dat niet het gebeente van de heerser in de kist zat, maar gewoon zand. Van de grote tegenstander van Portugal rest slechts zand dat werd opgeschept op Portugees grondgebied.

Het verhaal dat ik hier vertel is een op feiten en werkelijke personen gebaseerde fictionele herschepping. Als informatiebron dienden een uitgebreide documentatie aangelegd in Mozambique en Portugal en, belangrijker nog, een reeks gesprekken in Maputo en Inhambane, vooral met Afonso Silva Dambila, aan wie ik mijn diepste dank wil betuigen.

 

Hoofdstuk 1

                                                                                     Opgegraven sterren

 

Moeder zegt: het leven is als een touw. Je moet het net zo lang vlechten tot je de draden niet meer kunt onderscheiden van je vingers.

Elke morgen kwamen er zeven zonnen op boven de vlakte van Inharrime. In die tijd was het firmament veel groter en pasten alle hemellichamen erin, de levende en de dode. Naakt, zoals ze had geslapen, liep onze moeder naar buiten met een zeef in haar hand en koos de beste zon uit. De overige zes sterren stopte ze in haar zeef en bracht ze naar het dorp. Ze begroef ze naast de termietenheuvel achter ons huis. Dat was ons kerkhof van hemelse schepsels. Ooit zouden we daar, als dat nodig was, sterren opgraven. Vanwege dat erfgoed waren we niet arm. Dat zei onze moeder, Chikazi Makwakwa. Of gewoon mame, in onze moedertaal.

Wie ons bezoekt, krijgt ook de andere reden van dat geloof te horen. In die termietenheuvel werd namelijk de placenta van de pasgeborenen begraven. Er was een boom over de metershoge hoop heen gegroeid, een mafurreira. We bonden de witte doeken om zijn stam. Daar praatten we met onze doden.

De termietenheuvel was evenwel het tegendeel van een kerkhof. Omdat hij hoeder van de regens was, woonde daar onze eeuwigheid.

Op zekere dag, toen de ochtend al gezeefd was, trapte er een laars op de zon, de zon die moeder had uitgekozen. Het was een legerlaars, zo een als de Portugezen droegen. Ditmaal zat hij echter om de voet van een Nguni-soldaat die gestuurd was door keizer Ngungunyane.

Heersers hongeren naar grond en hun soldaten zijn monden die landen verslinden. Die laars brak de zon in duizend stukken. En het werd donker die dag. Evenals de andere dagen. De zeven zonnen stierven onder de laarzen van de militairen. Onze grond werd opgevreten. Zonder sterren om voedsel te geven aan onze dromen leerden we arm te zijn. En we verloren de eeuwigheid. In de wetenschap dat eeuwigheid slechts een ander woord is voor het leven.

*

Ik heet Imani. Eigenlijk is dat niet echt een naam. In mijn moedertaal betekent imani ‘wie is daar’. Als je op een deur klopt, vraagt iemand aan de andere kant: ‘Imani?’

Die vraag heb ik als identiteit gekregen. Alsof ik een schaduw zonder lichaam ben, het eeuwige wachten op een antwoord.

In ons dorp Nkokolani zeggen ze dat de naam van een nieuw kind afkomstig is van een fluistering die vlak voor de geboorte te horen is. In de buik van de moeder wordt niet alleen een nieuw lichaam geweven. Daar wordt ook de ziel in elkaar gezet, de moya. Nog in het donker van de schoot wordt die moya gemaakt op basis van de stemmen van degenen die al gestorven zijn. Een van die voorouders vraagt het nieuwe wezen om zijn naam aan te nemen. In mijn geval werd me Layeluane ingefluisterd, de naam van mijn oma van vaderskant.

Zoals de traditie voorschrijft, raadpleegde mijn vader een waarzegger. Hij wilde weten of we ook echt de wil van die geest hadden vertaald. En wat hij nooit had verwacht gebeurde: de helderziende zei dat het niet klopte dat ik zo gedoopt was. Hij moest een tweede waarzegger raadplegen, die hem allervriendelijkst en tegen betaling van een pond sterling garandeerde dat alles in orde was. Maar omdat ik de eerste maanden van mijn leven onophoudelijk huilde, dacht mijn familie dat ze mij de verkeerde naam hadden gegeven. Daarop werd tante Rosi geraadpleegd, de waarzegster van mijn familie. Na het werpen van de magische botjes verzekerde onze tante hun: ‘In het geval van dit meisje is niet de naam verkeerd, maar moet haar leven worden bijgesteld.’

Mijn vader trok zijn handen ervan af. Mijn moeder moest het maar regelen. En dat deed ze door mij ‘As’ te dopen. Niemand begreep het waarom van die naam, die in feite slechts van heel korte duur was. Toen mijn zusjes verdronken tijdens de grote overstromingen, werd ik ‘de Levende’ genoemd. Dat zeiden ze als ze het over mij hadden, alsof het feit dat ik het overleefd had het enige was waardoor ik me onderscheidde. Zo zeiden mijn ouders tegen mijn broers als ze me zochten: ‘Ga eens kijken waar de Levende is.’ Het was geen naam. Het was een manier om niet te hoeven zeggen dat hun andere dochters dood waren.

De rest van het verhaal is nog vager. Op een bepaald moment draaide mijn vader zijn beslissing terug en liet hij zich toch gelden. Ik zou een naam krijgen die er geen was: Imani. De orde in de wereld was ten slotte toch hersteld. Iemand een naam geven is een machtshandeling, de eerste en meest definitieve bezetting van een vreemd territorium. Mijn vader, die zo fel protesteerde tegen de overheersing door anderen, werd zelf een kleine heerser.

Ik weet niet waarom ik hier zo lang bij stil blijf staan, want ik ben niet geboren om een mens te worden. Ik ben een ras, ik ben een stam, ik ben een sekse, ik ben alles wat mij belet mezelf te zijn. Ik ben zwart, ik behoor tot de VaChopi’s, een kleine stam in het kustgebied van Mozambique. Mijn stamgenoten hadden de euvele moed zich te verzetten tegen de invasie van de VaNguni’s, de krijgers die uit het zuiden kwamen en zich vestigden alsof ze de baas van de wereld waren. In Nkokolani zeggen we dat de wereld zo groot is dat er geen baas in past.

Onze streek werd evenwel betwist door twee bezitters: de VaNguni’s en de Portugezen. Daarom haatten ze elkaar zozeer en voerden ze oorlog tegen elkaar: omdat ze zo gelijkaardig waren in hun bedoelingen. Het leger van de VaNguni’s was veel talrijker en machtiger. En ook hun geesten waren veel sterker. Die heersten aan weerszijden van de grens die onze streek doormidden had gescheurd. Aan de ene kant het Gazarijk, beheerst door de leider van de VaNguni’s, keizer Ngungunyane. Aan de andere kant het kroondomein, waar een vorst heerste die geen Afrikaan ooit zou ontmoeten: Dom Carlos i, koning van Portugal.

De andere volkeren, onze buren, hadden zich gevoegd naar de taal en gebruiken van de zwarte indringers, degenen die uit het zuiden kwamen. Wij, de VaChopi’s, behoren tot de weinigen die in het kroondomein wonen en zich in het conflict met het Gazarijk hebben verbonden met de Portugezen. Wij zijn met weinigen, ommuurd door onze trots en omringd door de kokholos, de houten wallen die we rond onze dorpen optrekken. Vanwege die verschansingen was ons dorp zo klein geworden dat zelfs de stenen een naam hadden. In Nkokolani dronken we allemaal uit dezelfde put, met één druppel vergif zou je het hele dorp kunnen uitmoorden.

 

Vrouwen van as
Mia Cuoto
Blz.: 256
Querido, Amsterdam 2016.
ISBN9789021402109
Prijs: 18,99

Vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens.

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*