As Primeiras Coisas – Bruno Vieira Amaral

AS PRIMEIRASDit is het tweede stuk uit de nog onvertaalde roman As Primeiras Coisas van de Portugese schrijver Bruno Vieira Amaral dat Marilyn Suy vertaalde voor Zucamagazine. Over het leven in een fictieve volkswijk aan de zuidelijke oever van de Taag. Personages worden in alfabetische volgorde opgevoerd.

Joãozinho Treme-Treme

“Toen ik zei dat we moesten boeten voor wat we gedaan hadden, keek mijn tante naar mijn moeder en zei mijn moeder dat ik mijn mond moest houden. Maar ik had gelijk. Dat wisten ze en daarom moest ik mijn mond houden. Ik weet niet of Joãozinho het wist. Mijn neef geloofde niet in dat soort dingen. Maar ik weet dat zijn lot werd bezegeld in Angola, op de dag dat mijn oom vroeg om een foto te maken. Het was op die dag, geen twijfel mogelijk. Als je het niet gelooft, dan niet. Ik hecht veel belang aan die dingen. Mijn tante ook, dat weet ik zeker. Ze heeft zich later bekeerd, maar diep in haar hart weet ze dat Joãozinho moest boeten voor wat mijn oom had gedaan. De oudsten hebben ons gewaarschuwd. Ze hebben het altijd gezegd.”

“Hij verloor niks. Joãozinho verliezen? Of hij ooit verloren heeft? Hij verloor alleen als hij dat wilde en die nacht wilde hij niet verliezen en dus deed hij het ook niet. Alhoewel, in feite verloor hij wel, natuurlijk. Ik was er zelf bij. Justino was degene die met kaarten verloor. Die kwam altijd geld tekort. Nog steeds trouwens. Hij is immers met dat mokkel getrouwd. Hij heeft ook geen geluk gehad. Alhoewel, hij heeft meer geluk gehad dan Joãozinho, die hem nog heeft gematst. Jazeker. Hij was degene die de tienduizend escudo ophoestte die Justino had verspeeld. Ze waren goede vrienden, die twee, dat klopt. Joãozinho matste hem altijd. Ik weet niet wat ze allemaal uitvraten, maar dat Joãozinho altijd de klappen opving is wel duidelijk. […] Tja, alhoewel, niemand weet wat er precies gebeurd is. Justino zei eerst dat ze niets hadden afgesproken, maar daarna zei hij dat ze een villa in Santo António zouden gaan overvallen maar dat het niet zijn idee was, dat het van Joãozinho kwam. Ze zouden elkaar ontmoeten bij de watertoren. Toen hij daar aankwam, was Joãozinho al dood. Justino zei dat hij geschreeuw hoorde onderweg, alsof er een varken werd geslacht, maar welke gek slacht er nou varkens op dat tijdstip? […] Wie zal het zeggen? Er zijn er maar twee die er meer vanaf wisten en een van hen is dood. Degene die hem heeft vermoord wist ook wat, maar omdat hij nooit is gevonden zijn we daar nooit achter gekomen.”

“Ik heb hem altijd gekend als Mário. Dat ‘Treme-Treme’ was iets van zijn vrienden. Voor mij was hij Mário. Hij had iets, ik weet niet hoe ik het moet zeggen, hij was anders dan de anderen, het was de manier waarop hij naar je keek. Wanneer hij een vrouw aankeek, begon ze te trillen als een rietje. Hij maakte vrouwen aan het trillen. Hij was geen prater. Als hij wilde, hoefde hij je alleen maar aan te kijken. Hij keek je aan, zonder iets te zeggen, en je ging prompt door de knieën. […] Hij was niet lelijk, maar ook niet wat je noemt een stuk, maar ik hou ook niet van mooie mannen, een man moet iets stoers hebben en lang zijn, ik hou van lange mannen, stel je voor zeg, een man die kleiner is dan ik, getver, nee. Hij was dus lang, lange benen had hij, als hij niet zulke ogen had gehad, dan had je hem voor iemand van hier aangezien, echt. Kijk, hij is al een tijdje dood,  maar ik zweer je dat wanneer ik de foto’s bekijk waar we samen op staan – en ik krijg er koude rillingen van als ik eraan denk – godallemachtig, dan lijkt het net alsof hij nog leeft.”

“Er klopt geen bal van dat verhaal. Wie dat vertelt, weet niet waar hij het over heeft. […] Dat is niet waar! In De Lantaarn werd niet om zoveel geld gespeeld. Er waren plaatsen waar soms wel tienduizend werd ingezet. Tienduizend escudo was veel geld in die tijd, maar om zoveel geld werd er niet gespeeld in De Lantaarn. We speelden als vrienden onder elkaar. Ik zeg niet dat we niet om geld speelden […] ja, daar heb ik een paar keer gespeeld […] en dat liep goed af, maar wat ik wil zeggen is dat het geen bedragen waren om iemand voor om te leggen. Als hij om geld is vermoord, dan was het geld van wat anders. Luister, iedereen wist dat die gasten niet te vertrouwen waren: Justino, Treme-Treme, die kerel die naar Zwitserland vertrok, soms ook […] sorry dat ik het zeg […] maar het is echt zo, iedereen wist het, afijn, dat doet er niet toe want volgens mij ging het om een vrouw. Ik heb altijd gedacht dat Moreno bij zoiets betrokken zou raken en het loodje zou leggen. Treme-Treme was voorzichtiger. Die roerde in de suikerpot en hield zijn mond. Hij was geen heer. Of misschien wel, omdat hij dan vaker in de suikerpot kon roeren. Moreno was een flapuit. Hij praatte meer dan dat hij lag te knarren, daarom dacht ik dat hij zichzelf nog wel eens tegen zou komen. Niet omdat hij met iedereen de koffer indook, maar omdat hij een grote bek had. Want als Treme-Treme zijn mond niet opendeed, hoe kwam het dan aan het licht wie er bedrogen werd? Goed, Justino moet het hebben geweten. Als Joãozinho het aan iemand vertelde, dan was het aan Justino. Daarna ging het als een lopend vuurtje de wijk rond, dat snap je. Ze zeiden dat Cristina, de vrouw van Moreno, zich ook had laten pakken, dat Treme-Treme het liefje van Gica een veeg had gegeven en dat Moreno hem gematst had met een verhaal over een of andere gozer die naar Holland ging […] Weet je wat ik denk? Dat wie hem te grazen nam, daar een goede reden voor had want hij was zwaar mishandeld, die gast, zijn ingewanden kwamen eruit, de hele mikmak lag op de grond.”

“Wist je dat er, die nacht dat Joãozinho Treme-Treme werd vermoord, ’s morgens om zes uur een neger, zo’n Guinees of weet ik veel waar hij vandaan kwam, voor mij zien ze er allemaal hetzelfde uit, hij was in ieder geval pikzwart, een café in Alhos Vedros binnenstapte met zijn kleren onder het bloed? Hij was nog niet binnen of hij was alweer weg. Niemand weet dat. Ik wel, omdat het mijn vaders café was en ik hem op dat moment aan het helpen was. Mijn vader was even naar de kelder, wat opruimen, en toen stond die kerel opeens voor mijn neus. Als ik hem vandaag op straat zou tegenkomen, dan zou ik hem nog herkennen. Ik heb tot op de dag van vandaag nachtmerries van die vent.”

“Luister jongen, ik wil alleen met je praten uit respect voor zijn moeder, oké? Ze heeft het me gevraagd, ze zei dat je iets aan het schrijven was, wat ben je eigenlijk aan het schrijven? […] Ik wil niet dat er leugens worden verteld over mijn zoon. […] Dat zal ik je vertellen. João Mário was een brave jongen. […] Dat komt straks. Kijk, toen hij klein was had hij steil blond haar, goudblond, net als zijn oom, Mário. Die is jong gestorven, nog in Angola. […] Nee, nee. Een auto-ongeluk. Hij was negentien, ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Ik was al verloofd met zijn broer. Toen ik zwanger was, zei João meteen dat als het een jongetje zou worden, hij de naam van zijn oom zou krijgen. Dat wilde ik niet. Ik vond dat geen goed idee. Het was de goden verzoeken, maar hij hield voet bij stuk en niemand kon het hem uit zijn hoofd praten. João Mário. Totdat hij een jaar of vijf, zes was, in de tijd dat hij nog niet naar school moest, was hij net zo blond als zijn oom en later, toen hij begon te groeien, kreeg hij dezelfde lichaamsbouw en werd hij net zo lang als zijn oom. Van gezicht leek hij op zijn grootvader, mijn vader, hij had dezelfde ogen. […] Mijn vader verhief nooit zijn stem tegen zijn kinderen en voor zover ik het me herinner heeft hij de jongste maar één keer geslagen. Kijken was voldoende. Op een dag zaten we allemaal aan tafel omdat we bezoek hadden. Mijn broer en ik waren aan het kletsen, ik weet niet meer waarom, we kletsten de oren van elkaars kop, dat deden we anders nooit. Kijkt mijn vader ons opeens aan met zijn dodelijke blik, ik deed het in mijn broek van schrik, ja, nu kan ik erom lachen maar toen was ik bang. Die ogen van mijn vader, daar werd je bang van. […] João Mário was geen heilig boontje, helemaal niet, maar hij heeft veel last gehad van zijn vaders dood. Hij was erg, heel erg gehecht aan zijn vader. Hij heeft hem zien sterven. Een jaar later zijn we hiernaartoe gekomen. Hij zat niet goed in zijn vel, was heel nerveus, mijn Joãozinho, hij viel er soms flauw van. Toen gaf mijn zwager hem die bijnaam: Treme-Treme. Dat heb ik nooit leuk gevonden, hoezo Treme-Treme? Maar hij kwam er niet meer vanaf. […] De meisjes – twee van hen zijn hier nog thuis geweest – […] blank, ja, lelieblank zelfs, ze vielen wel op die getinte jongen en hij was ook niet vies van hen, lustte er wel pap van, een moeder hou je niet voor de gek, niet dat hij er ooit iets van zei, maar ik wist het, ik rook het […] Goed, ze kwamen hier dus thuis, met hun maniertjes, ‘dona Beatriz, is João Mário thuis?’ João Mário of gewoon Mário. Zo noemden ze hem. […] We kwamen op 19 september 1975 aan in Portugal, op een vrijdag, dat vergeet ik nooit. Ik heb alles achtergelaten, jongen. Alles is daar gebleven. De enige kleren die we bij ons hadden, hadden we aan. Ik ben met mijn zuster, haar man en hun dochtertjes meegekomen. Mijn broer is de enige die niet naar Portugal is vertrokken. […] Hij woont daar nog altijd. We zaten met zijn allen in hotel Roma. We hadden geluk, want Alda en Januário zaten daar ook. Zij vertelde ons dat er huizen waren aan de overkant van de rivier, in Barreiro. Ik ben met João Mário en mijn zwager met de boot daarheen gegaan. Mijn zus bleef bij de kinderen. De volgende dag ben ik ze gaan ophalen. […] Joãozinho is groot geworden in die tijd. Hij zag in dat het leven was veranderd. Ik zei tegen hem ‘nu moet je flink zijn, schat’ en op een dag, een paar maanden later, ik denk dat hij ondertussen al 18 was, ging hij ’s morgens weg en kwam hij ’s avonds thuis met de boodschap ‘mam, ik heb werk, in de fabriek’. Ik zocht werk in een restaurant. Ik ben begonnen in een restaurant vlakbij de aanlegsteiger in Barreiro, in de Rua Recosta. Ik stapte op de bus bij het gemeentehuis, dat was nog een hele klim, tussen de groentetuinen, door de modder, pikkedonker was het toen ik van huis ging en ijskoud, niet te doen. Joãozinho zei tegen me ‘mam, op een dag hoef je niet meer te werken’, daar moest ik om lachen, ‘ik ga een sofa voor je kopen, mam’. Op een gegeven moment komt hij aanzetten met een naaimachine, zo’n trapding, ik heb hem nog steeds, hij doet het niet meer. Hij heeft hem samen met Zeca naar boven gesjouwd. Ik zei nog voor de grap: ‘Verdorie, in plaats van een sofa geef je je moeder een hoop werk erbij’, dat deed hem verdriet, mijn zoon, ik deed nl. ook af en toe wat verstelwerk. […] Hij ging hier een paar keer naar de kerk, later niet meer, toen begon hij om te gaan met dat tuig, ik zei nog tegen hem ‘João Mário, je bent een nette jongen en nou ga je om met crapuul, dat loopt nog verkeerd af. […] toen heeft hij nog een jaar of vijf bij Quimigal gewerkt, als arbeider, maar op een gegeven moment was dat niks meer. Hij leidde een ander leven. […] Zie je wel? Mensen vertellen de grootste onzin. Daar klopt niks van. Ik had Joãozinho een week niet gezien. De avond voordat hij werd vermoord kwam hij hier, hij was zichzelf niet meer, compleet van de kaart. Ik vroeg hem of alles in orde was en waarom hij niet meer thuis kwam, en zei hem dat het geen leven was zo, dat hij niets om zijn moeder gaf. Hij was erg nerveus, ik had hem sinds de dood van zijn vader niet meer zo gezien. ‘Er is niks aan de hand, oudje, maak je niet druk’, hij zei oudje tegen me. Toen kreeg hij tranen in zijn ogen, ‘op een dag maak ik het goed, oudje’. Ik zei hem dat hij naar huis moest komen, dat ik een vispotje voor hem zou maken, en hij zei dat hij geen vispotje wilde maar biefstuk, een grote dikke biefstuk, en hij omhelsde me. Dat was het laatste wat hij tegen me zei, dat hij een grote dikke biefstuk wilde. Daarna verdween hij door die deur daar en heb ik hem nooit meer gezien […] Ik heb een biefstuk gekocht, het vlees gekruid, met flink veel sambal erbij, precies zoals hij het lekker vindt, zelfs op zijn brood deed hij sambal, en ik ben gaan zitten wachten totdat hij thuis zou komen om te eten, mijn Joãozinho. […] Hier heeft hij niet gegeten. Het kan best zijn dat hij die nacht funje heeft gegeten, maar niet hier. Mensen verzinnen van alles. Hier heeft hij niets gegeten. […] Daar wil ik niks over zeggen. Ik heb zo mijn twijfels, jongen, maar God ziet alles daar boven. Wie het op zijn geweten heeft en er nog niet voor heeft geboet, gaat dat zeker nog doen. Daar wil ik niks over zeggen. Dat ligt in Gods handen. […] Nadat hij was vermoord, heb ik de biefstuk in de vriezer gelegd. Daar heeft hij jaren gelegen. Ik kon nog geen foto van hem bekijken. Ik hoefde de vriezer maar open te doen of ik barstte in tranen uit, ik kon niet stoppen met huilen. Op een dag, jaren later, kwam dominee Joaquim hier op bezoek. ‘Zuster Beatriz, daar krijg je alleen maar meer verdriet van’, maar van weggooien wilde ik niks weten, dan zou mijn zoon voor de tweede keer van me worden weggenomen, zo zag ik dat. Op deze manier was het net alsof ik op hem wachtte en hij elk moment in dat deurgat kon verschijnen, mijn Joãozinho.”

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*