De beste is de enige goede

lobo-de beste is...(1)

Door António Lobo Antunes

Eigenlijk ben ik helemaal geen schrijver, want wat ik doe is niet schrijven, maar beter luisteren. Ik ga zitten en wacht tot de stemmen beginnen. Ze cirkelen om mij heen, soms sterker, soms zwakker, soms dichterbij, soms verder weg, en ze praten geluidloos, hoewel ze toch van alles zeggen. De moeilijkheid is om de juiste eruit te halen, want alle andere liegen. Soms duurt het weken, maanden lang voor je eruit bent. Het is bijna nooit de helderste. Of liever, het is nóóit de helderste, en ook niet de verleidelijkste of de intelligentste. Doorgaans ebt ze weg, wordt weer hoorbaar en ebt opnieuw weg, ze let niet op mij en ik let niet op haar, ik probeer haar te vinden tussen de andere, het lukt me niet, het lukt me wel, het lukt me niet, ik begin opnieuw, ontdek haar in de verte, ik meen te begrijpen
‘Dat is ze’
maar denk teleurgesteld
‘Nee, dat is ze niet’

omdat het onzin is wat ze vertelt, maar toch bevat die onzin iets wat mij achtervolgt, ik trek haar naar mij toe of duw mezelf naar haar, nee, ik trek haar niet naar mij toe, ik duw mij naar haar, ik begin haar voorzichtig uit te proberen, een los woord, een tweede los woord, een hele zin, de overblijvende stemmen doen verwoede pogingen om mij af te leiden
‘Wat stelt dat nou voor?’
‘Wat heb je daar nou aan?’
‘Je vergist je’
ze bieden mij personages, voorvallen, verhalen, maar wat kunnen mij personages, voorvallen en verhalen schelen, dat is iets voor schrijvers van romans en ik schijt op romans, ik wil een draad die mij naar de kern van het leven leidt, en alles naar boven halen wat daar bestaat, ik wil het hart van de wereld, ik wil geen amusement bieden aan degenen die mij kopen, ik wil hen niet vermaken en ik wil mezelf niet vermaken, ik wil wat er diep in het binnenste leeft, waar de mensen zitten en wij met hen, wil in letters gieten wat geen enkele letter bevat, ik wil lichte voetstappen volgen in een gang waarvan ik niet weet waar hij ligt, of eigenlijk niet zozeer lichte voetstappen, de echo van lichte voetstappen, die lichte voetstappen zullen worden als ik ermee doorga, die vlees en ogen krijgen en mij meevoeren, ik wil ermee ademen, ik wil dat wij bij elkaar blijven, ik wil dat de lichte voetstappen mijn voetstappen worden en de gang mijn gang, dat het vlees en de ogen mijn vlees en mijn ogen worden, ik wil dit boek, dat nog niet begonnen is maar dankzij koppigheid en trots en geduld mijn boek zal worden, zonder het te schrijven natuurlijk, daar trap ik niet meer in, het er alleen maar uit te laten lopen als water dat gemorst wordt en zich een weg zoekt in de kieren in de vloer, en het is mijn boek niet aangezien geen enkel boek met mijn naam van mij is, boeken zouden de naam van hun lezer en niet die van de auteur op hun omslag moeten hebben staan, want de lezer geeft het boek zin onder het lezen, de stem is van de lezer, en niet alleen de stem maar ook het vlees en de ogen en de gang en de voetstappen zijn van hem, en de lezer is alleen en hij is immens groot, de lezer draagt de hele wereld sinds het begin van die wereld in zich, net als zijn eigen verleden en heden en toekomst, en hij luistert naar zichzelf en voelt het gewicht van al zijn ingewanden, van iedere cel, van ieder innerlijk geluid, de lezer groeit almaar door en hij heeft het boek en mij niet meer nodig, en als hij het boek uit heeft, begint het boek, en als hij het boek in de kast zet, gaat het boek door en de lezer samen met het boek, elke cel splitst zich in duizenden cellen en de lezer is velen, en de lezer leest niet meer omdat hij niet aan het lezen is, zelfs als hij denkt dat hij aan het lezen is leest hij niet, hij heeft alle leeftijden tegelijk en beleeft alle tijden van zijn leven hoewel het boek dichtgeslagen ergens in huis ligt en de lezer het niet nodig heeft om ermee door te gaan, en ineens moet ik denken aan de gewichtloze zaadjes die toen we klein waren ’s zomers door het raam naar binnen waaiden en daarna weer naar buiten dreven en verdwenen, en ondanks het feit dat ze weg waren bleven ze bij ons, omdat ze herinneringen meebrachten en verwachtingen, en iemand die een liedje zong
(welke vrouw?)
aan de wastobbe
(soms niet eens een melodie: twee of drie noten meer niet)
die de enige zijn die we later horen wanneer de avond valt en de schaduwen die ons omringen denken
(of meer dan denken: er zeker van zijn, zij en de dokter en de man van de doodkisten)
dat we niets hebben gehoord.

 

Uit het Portugese opinietijdschrift Visão, 22 juni 2006
Vertaling: Harrie Lemmens
Foto: Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*