vijf gedichten van Fernando Pessoa

216_2310-Fernando-Pessoa

Ingeleid en uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens

Behalve zijn heteroniemen was Fernando Pessoa (1888-1935) ook zichzelf, maar net als in de huid van zijn alter ego’s droeg hij een masker wanneer hij onder zijn eigen naam schreef. Want Pessoa was, zoals hij Bernardo Soares in het Boek der rusteloosheid laat zeggen, een leeg, levend toneel waarop acteurs rondlopen die allemaal iets opvoeren. Fingir, ‘veinzen’, ‘doen alsof’ is dan ook het kernwoord van Pessoa’s poëzie. Doen alsof duidt op verstandelijkheid, op (zelf)beheersing: het hoofd heerst over het hart. Zelfs in de onstuimige gemoedsuitbarstingen van Àlvaro de Campos. Zelfs wanneer hij hunkering uitdrukt naar korte momenten zonder toekomst of lange uren van een voorgoed voorbij verleden. Wat niet belet dat uit sommige gedichten een ontroering spreekt die meer dan zogenaamd oprecht lijkt, bijvoorbeeld het lange, evocatieve ‘Un soir à Lima’: als de radio dit stuk voor piano van Félix Godefroid uitzendt, hoort hij zijn moeder weer spelen in Durban. Pessoa verloor zijn vader toen hij vijf was, en op zijn zevende hertrouwde zijn moeder en verhuisde het gezin naar Zuid-Afrika. Tien jaar lang, zijn hele schoolgaande leeftijd, zou hij daar blijven en op de klanken van een piano op de radio denkt hij terug aan die tijd.

 

pessoa 5 gedichten autopsych
Autopsychografie

De dichter doet alsof.
Hij doet dat zo compleet
Dat zelfs de pijn die hem echt trof
Door hemzelf verzonnen heet.

En zij die zijn gedicht dan lezen,
Zien in de gelezen pijn
Niet de echte en niet deze,
Maar een die nooit van hen zal zijn.

En zo draait op zijn spoor,
Dat ons hoofd ontspannen laat,
Die opwindtrein maar door,
Die als het hart bekendstaat.

 

 

pessoa 5 gedichten in al wat ik

In al wat ik bekeek zit ikzelf voor een deel

Al wat eindigt is dood, en ook onze dood
Als het eindigt voor ons. Die struik daar
Verwelkt, en met hem verdwijnt
Een deel van mijn leven.

In al wat ik bekeek zit ikzelf voor een deel.
Als wat ik gezien heb vergaat, verga ik,
En in mijn herinnering is
wat ik zag wat ik was.

 

pessoa 5 gedichten ik weet niet hoeveel

Ik weet niet hoeveel zielen ik heb.

Ik weet niet hoeveel zielen ik heb.
Telkens weer word ik ontbonden.
Het is alsof ik voortdurend wegeb.
Ik heb me nooit gezien of gevonden.
Ik heb alleen de ziel van al dat zijn.
En wie een ziel heeft kan niet stil zijn.
Wie ziet is slechts wat hij ziet,
Wie voelt is zichzelf niet.

Als ik let op wat ik ben en waarneem,
Word ik hen en niet meer mezelf.
Alles wat ik droom of me voorneem
Gaat uit van waar ik het opdelf.
Ik ben mijn eigen toneel,
Ik kijk hoe ik daar speel
En alleen en gespleten rondren,
Ik voel mezelf niet waar ik ben.

Daarom lees ik verstrooid,
Als bladzijden mijn bestaan.
Wat later komt weet ik nooit,
Wat voorbij is laat ik gaan.
In de kantlijn van wat ik lees
Teken ik aan wat bij me oprees.
Ik herlees het en zeg ‘Was ik dat?’
God weet het: Híj schreef op dat blad.

 

 

pessoa 5 gedichten ving ik een lach

Op straat ving ik een lach

Op straat ving ik een lach
Die het toeval me gaf,
Vaag toen ik hem zag,
Maar toch recht op mij af.

Andermans glimlach
Die slechts voor mij werd
Omdat ik de weg had versperd
Van die glimlach die ik zag.

Nou en? Wat moet komen
Wordt door het lot gegeven
Alles is dood en dromen,
Door een lach vergeet je dat even.
pessoa 5 gedichten un soir

Un soir à Lima

De stem van de radio-omroeper kondigt
even langzaam als gevoelloos aan:
‘En dan nu
Un soir à Lima’…

Mijn glimlach verstart…
Mijn hart staat stil…

En ineens barst
Die vervloekte geliefde melodie
Uit het onbewuste toestel
En mijn ziel verliest zich
In een levendige herinnering…
De beboste helling glinsterde
In het volle Afrikaanse maanlicht.

Onze huiskamer was groot en je kon
Van daaruit tot de zee alles zien
In het heldere donker van de felle maan…
Maar alleen ik stond bij het raam.
Mijn moeder zat achter de piano
En speelde…
Exact dat nummer
Un soir à Lima

Mijn God, wat is dat lang geleden, voorgoed weg!
Waar is haar trotse houding?
Haar altijd hartelijk warme stem?
Haar lieve krachtige glimlach?
Wat me daar nu 
Aan doet denken is het horen van
Un soir à Lima.
Op de radio speelt nog steeds
Dat nummer van ons, van haar
Datzelfde Un soir à Lima.

Haar grijzende haar was zo mooi
In het licht
En ik had nooit gedacht dat ze dood zou gaan
En mij over zou laten aan wie ik ben!
Ze is dood, maar ik ben nog altijd haar kind.
Niemand is een man voor zijn moeder!

En door mijn tranen heen zie ik toch
in mijn herinnering
duidelijk, volmaakt als een medaillon,
de lijn van dat meer dan volmaakte profiel.
Als het denkt aan jou, ma, klassiek en al grijs,
Huilt mijn nog altijd kinderlijke hart.
Ik zie je vingers op het klavier en
De maan daarbuiten schijnt eeuwig in mij.
En jij speelt eindeloos in mijn hart
Un soir à Lima.

De noodlottige stilte van wat voorbij is
Je zo mooie kleine handen
Stralend nauwgezet en vertrouwd
Met een glimlach waarin slechts
Het eeuwig menselijke ligt
Haalde jij uit de rust van de piano
Un soir à Lima.

Je had en profil een medaillongezicht
En face, als je keek, was je mijn moeder
Wat mis ik nu je blik
En zie ik je profiel nog goed

‘Slapen de kleintjes al?’
‘Ja, ze slapen al.’
‘En dit hier slaapt ook al half.’
En jij ging glimlachend door met spelen
Wat je aan het spelen was –
Aandachtig aan het spelen was –
Un soir à Lima.

Alles wat ik geweest ben toen ik niets was,
Alles waar ik van hield, en ik weet alleen
Dat ik ervan hield omdat er nu geen weg is
Die ook maar iets werkelijks heeft
Omdat ik er niet meer van over heb dan heimwee –

Dat alles leeft in mij
Door lichten, muziek en het
Eindeloos terugzien
Van dat eeuwige tijdstip in mijn hart
Waarop je het onwerkelijke blad
Van de muziek die je speelde omdraaide
En ik je hoorde en zag
Doorgaan
Met de eeuwige melodie
Die op de
eeuwige bodem van dit heimwee
Naar toen je speelde ligt, ma,
Un soir à Lima.

En het onverschillige toestel brengt
Van de zich van niets bewuste zender
Un soir à Lima.

Ik wist toen niet dat ik gelukkig was.
Nu ik het niet meer ben weet ik dat ik het was.
‘Dit hier slaapt ook al half…’
‘Helemaal niet!’
We moesten allemaal lachen
En verstrooid
Hoor ik nog steeds,
Ver van de maan die buiten
Hard en eenzaam schijnt,
Waardoor ik ongemerkt  droom
En meelij heb met mezelf,
Dat stemloze lied, lieflijk getokkeld
Dat mijn moeder aan het spelen was –
Un soir à Lima.

Had ik maar hier in een la,
Had ik maar hier in een jaszak,
Weggeborgen, helemaal compleet
Dat volledige tafereel!
Kon ik die kamer en dat uur
Maar wegrukken
Uit de ruimte, de tijd, het leven,
En wegstoppen
Op een plek
In mijn ziel waar ze eeuwig van mij
Zouden zijn,
Levend en warm,
En het hele gezin en de vrede en de muziek
Maar dan werkelijk zoals die
Nu nog altijd is,
Wanneer jij speelde, ma, ma,
Un soir à Lima.

Ma, ma, ik was jouw jongen
Zo goed gevormd
Door jouw opvoeding
En nu ben ik een vod dat het Noodlot
Opgerold in een hoekje
Op de grond heeft gegooid.

Ik lig hier miezerig,
Maar wervelend stijgt
Naar mijn hart de herinnering op
Aan wat ik gehoord heb dat er lag
In wat er aan tederheid, thuis en nestwarmte was,
Nu ik mij vandaag hier alleen, mijn God, de liefde herinner,
Un soir à Lima.

Waar zijn het uur en het thuis en de liefde
Van toen jij dat speelde, ma, ma,
Un soir à Lima?

En in een hoekje van de grote stoel
Weet mijn kleine,
Ineengedoken zusje
Niet of ze wel of niet  slaapt.

Ik ben zoveel vuigheid geweest!
Heb zoveel van wat ik ben verraden!
Hoe vaak heeft mijn hongerige geest
Van een subtiele denker
Het niet omslachtig mis gehad!
Hoe vaak heeft zelfs mijn gevoel
Mij niet uitputtend bedrogen!

Laat me, nu ik geen thuis meer heb,
Blijven bij
Het zien van
Dat thuis van toen
Laat me horen, horen en horen –
Ik voor het raam
Van het altijd blijven voelen
In die kamer, onze kamer die warm
Is van het weidse Afrika waar de maan
Buiten breed en onverschillig schijnt
Goed noch slecht
En waar, in mijn hart,
Jij ma, ma,
Zichtbaar speelt
Eeuwig speelt
Un soir à Lima.

Mijn woede van een menselijk dier
Dat beroofd werd van zijn moeder
En er blijft
Voor het kind dat in zijn ziel bestaat,
Om zijn hart te vervullen
Alleen dit beeld over –
Jouw kleine handen op de piano
Wanneer je, o mijn God, speelde
Un soir à Lima.
Ach maar het is niet waar.
Hier ben ik oud,
Er is geen kamer en geen piano
En jij bent het niet die speelt
Er staat een stom toestel
Waaruit van ver geluid komt, en o die pijn
Hoe moet ik jou nu een zoen geven?

Ik zou weg kunnen gaan van het raam
Zoals ik zo vaak heb gedaan
/…/

De precieze denker
Wiens ziel in duizend stukken ligt,
Duizend stukken die niet eens bestaan…
Laat me slapen
En dromen dat ik zie terwijl ik luister naar
Un soir à Lima.

En in die rust
In dat geluk
Waaruit een ziel bestond
(Mijn God, wat een heimwee!)
In het licht dat goud kleurde
(Waar is dat alles toch vandaag?)
Ver van het zilveren maanlicht,
Speelde mijn moeder,
Een aandachtig menselijk medaillon aan de piano, 
Un soir à Lima.

Sindsdien
Ben ik door heel wat
Levens getrokken.
Meestal had ik het mis.
Mijn hart is zwaar
Van vergeten dingen.
Hoeveel heb ik sinds ik
In die behaaglijkheid
Van mijn verdwenen thuis
Stijf en dromend voor het raam,
Ver weg en vaag
Hoorde wat er
In alle muziek aan instinct en intuïtie zit,
dood laten gaan
In wat ik wilde zijn,
Hoeveel heb ik slechts
Gedacht gelaten
Hoeveel, hoeveel
Is voor mij slechts droom geweest,
Slechts treurig
Blije verrukking
Dat ik het had gedroomd,
Wie weet het heimwee
Veranderd in half menselijke mijmering
Over wat er allemaal is in die verre nacht
Waarin jij, mama, in het harde lichtschijnsel
op de piano speelde
Un soir à Lima.

Mijn hart is zwaar. Een dichte mist
Bezet mijn bewustzijn
En een vormeloze, desolate en dichte kou
Belet me te denken.

Ik schommel en wieg mezelf
En herinner me alles, maar tevergeefs.
Mijn God, waar is dat alles toch?
Un soir à Lima…
Breek, o hart…!

Mijn stiefvader
(Wat een man! Wat een ziel! Wat een hart!)
Leunde met zijn stevige lijf
Van een bedaarde, gezonde atleet
Achterover in zijn stoel
En luisterde rokend en peinzend,
En zijn blauwe blik had geen kleur.
En mijn zusje, als kind,
Diep weggedoken in haar leunstoel,
Hoorde slapend
En glimlachend

Dat iemand misschien wel
Een dansje speelde…

En ik stond voor het raam en zag
Alle maanlicht van heel Afrika het landschap
En mijn droom overspoelen.

Waar is dat alles toch!
Un soir à Lima…
Breek, o hart!
Die kleine blanke hand,
Die me nooit meer zal strelen
Je lachte glimlachend naar mij
Die glimlach die er niet meer is
En ging door met het spelen van
Un soir à Lima.
En het is een onverschillige zender
Die mij door een onbewust toestel
In muziek, alleen in muziek,
De sterke doodsangst bezorgt die ik krijg
Van het zien van jou, omdat ik me herinner
Dat je, mijn moeder, mijn moeder,
Zo rustig speelde
Un soir à Lima.

Maar ik versuf,
Ik weet niet of ik zie of in slaap val,
Of ik ben wie ik was,
Ik weet niet of ik me herinner of vergeet.
Er is iets wat wazig stroomt
Tussen wie ik ben en wat ik was
En het is als een rivier, of een bries, of dromen,
Iets wat je niet verwacht,
Wat plotseling stilvalt,
En vanuit waar het zou ophouden
Rijst steeds duidelijker weer op,
In een gloed van zachtheid
En weemoed,
Waar mijn hart zich nog bevindt,
Een piano, een gestalte, een verlangen…
Ik slaap leunend tegen die melodie –
En hoor dat mijn moeder speelt,
Hoor, met het zout van mijn tranen al in de mond,
Un soir à Lima.

De floers van de tranen verblindt niet,
Huilend zie ik
Wat die muziek mij aanbiedt –
De moeder die ik had, het oude thuis,
Het kind dat ik was,
De verschrikking van de tijd omdat hij verglijdt
De verschrikking van het leven omdat het slechts doden is.
Ik zie en ik val in slaap
En in de verdwazing waarin ik vergeet
Dat ik nog besta in deze wereld die er is…
Zie ik mijn moeder spelen.
Die kleine witte handen,
Die mij nooit meer liefkozend strelen
Spelen voorzichtig en sereen op de piano
Un soir à Lima.

O, ik zie alles helder!
Ik ben weer daarginds.
Ik wend mijn ogen waarmee ik het zag
Af van het schaarse maanlicht buiten.

Wat nu? Ik mijmer en de muziek is afgelopen…
Ik mijmer zoals ik altijd heb gemijmerd
Zonder zekerheid in mijn ziel over wie ik ben,
Of waarachtig geloof of vaste wet.

Ik mijmer, schep eigen eeuwigheden
Met het opium van geheugen en verlatenheid.
Ik huldig koninginnen uit sprookjes in
Zonder een troon voor hen te hebben.

Ik droom omdat ik baad
In de irreële rivier van de opgeroepen muziek.
Mijn ziel is een haveloos kind dat
In een donker hoekje ligt te slapen.
Het enige wat ik heb
In de zekere, wakkere werkelijkheid
Zijn de vodden van mijn verlaten ziel
En mijn hoofd, dat droomt tegen de muur.

Maar zou er, ma,
Geen God bestaan die zorgt dat niet alles ijdel is,
Een andere wereld waar dat zich nu afspeelt?
Ik mijmer nog: het is allemaal schijn.
Un soir à Lima…
Breek, o hart…

 

Deze gedichten en nog twee meer, zijn ook geplaatst op het online magazine Het Moment.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*