António Botto – Gedichten en brieven

 

antonio botto 1António Botto (1892-1959) was Portugals eerste dichter die zijn homoseksuele geaardheid openlijk beleed in zijn gedichten. Voor de niet-literaire buitenwereld bleef hij netjes getrouwd. Fernando Pessoa, met wie hij bevriend was, noemde hem een groot dichter. Eind jaren veertig ontvluchtte hij Lissabon waar hij, na aanvankelijk op handen te zijn gedragen, steeds meer werd genegeerd, en emigreerde naar Brazilië. Eerst naar São Paulo, vervolgens naar Rio.

Hier zette hij het bohemienleven voort dat hij ook overzee al had geleid, met nachtelijke tochten langs zeemanskroegen en louche fadotenten. Hij probeerde in zijn bestaan te voorzien met journalistiek en literair schrijfwerk. Door een onbehandelde syfilis werd zijn lichaam en zijn geest geleidelijk aan vernield, hij leed aan waanvoorstellingen en werd ook hier risee. Tot een noodlottige aanrijding en einde aan zijn leven maakte. Eenenzestig jaar oud.

Ik kon niet eens
Je naam horen noemen.
En als ik je zag,
Werd ik kwaad en leed,
Omdat ik je niet kon uitschelden…

Tot we elkaar ontmoetten!

Het miezerde, was bijna donker.
— Een brutale en
IJskoude motregen
Als een ironisch lachje
Om een begeerde mond.

Ik weet niet meer wat je zei;
En ook niet wat ik zelf zei…

Het bleef maar regenen.
We liepen door een park
En in het matte licht
Van een lantaarn,
Fluisterde je in mijn oor:
— Ik wil mijn lichaam aan je geven.
En ik zei daarop: — Tuurlijk ja.

De regen werd dichter.
Ik was drijf en drijfnat.
We waren er, ik ging naar binnen…

Een zeeman kwam de trap af
Trok zijn hemd recht
En kamde zijn krullen.
Het was een doodgewoon huis
Waar de liefde
— Verborgen voor alle zonnen
Zich gaf en prostitueerde
In ruil voor wat centen.

Ik had spijt, ik vloekte;
Maar toen ik je armen verliet
Voelde ik dat ik meer ziel had!

En ik heb je nooit meer ontmoet!

 

*********


In de weemoedig gedempte fado,

Hoor je haar stem boven al
Als een hees en diep benadrukken
Van een triest geval.

Bij de deurpost kauwt haar minnaar
Woorden die zij niet hoort.

Hij is donker als het koren.
In zijn gezicht twee zwarte ogen,
Gitzwart en expressief, —
Als twee grote mysteries
Waarin haar ogen
Blind worden gegijzeld door liefde…

Zijn borst slechts omhuld
Door een licht katoenen hemd.
Knokige heupen.
Blootsvoets.
En de sigaret bungelend
Aan de uiterst sensuele lip.

Met matte, vochtige stem
Van lijden en verlangen
Daagt ze hem uit voor de strijd
Waarin zij overwonnen lijkt;
En ze omhelst hem nerveus,
En geeft hem een zoen!,
— Een dode zoen, zonder leven…

Ik heb meelij met dat lichaam
Gerimpeld
En verbrand
In de sombere vuurzee
Van zijn verraderlijke sekse…

Maar de betovering wijkt niet
Zolang je hem geld geeft!

Zolang hij na het trage
En morbide en gedwongen werk,
“Iets” vangt,
Ben je zeker dat hij
Steeds bij je komt.

Klokken luiden.

De lucht is bedekt met nevel;
Groen en goudkleurig
Met waterig blauwe vlekken…

Mocht de gitaar ontbreken!

Het wordt donker. Een ruiker sterren
Strooit bloemblaadjes door de hemel.
Nieuwe maan. Er komt niemand langs…

Het wenen van een cantiga
Stijgt op en valt neer op de missers
Van de stem die het draagt…

Hoera…! Er is niemand.

In de stegen van de ellende
Is de nacht altijd donkerder.

— Zo zie ik in mijn tranen
Mijn minnaar.

 

antonio botto 3

 

Zeg niet dat de fado niet deugt. Wat ze ook allemaal beweren, de fado is en blijft een lamento van de liefde, een noot van heimwee en verlangen in het muzikale wezen van een volk van zeevaarders en denkers, een zoete cantilene zonder ingewikkeld gedoe in de matte eenvoud van een zinloos leven. De fado doet nooit kwaad. Hij is een vermoeide reeks klanken op de lier van het ongeluk. Wat zou moeten, is hem weghouden van de lui die er kreupele zaagmeelversjes van maken. En de kelen uitkiezen; de valsheid, rauwheid eruit raspen en klank en woorden in het ritme van evenwicht, harmonie en schoonheid brengen. Afkeuren wat niet deugt. Hem echt laten zijn, gezalfd door de gratie die bestaat uit verdriet dat uit het hart komt, en er geen hysterische trillinkjes aan geven, of zwetsverhalen van kibbelende oude wijven, of patriottische flauwekul van debiel kletsende hofnarren. Ze gebruiken hem voor ieder carnavalsbal en de arme ziel kreunt en zucht gemaskerd als zwerver. Waarom laten ze hem niet gewoon over aan de onrust die ontstaat uit het ongecontroleerde leven zelf, want de fado kan niet meer tegen al die snertliteratuur. Waarom verscheuren en verbranden ze de dwaze liedjes niet die hij gedwongen begeleidt? Waarom buigen ze zich niet, de poëten, over de sociale plaag der feiten, die het bestaan van het huidige zo diep tragische en hoog talende tijdsgewricht treurig en triest maken? Waarom maken ze geen zuivere versjes zonder dranklucht, waarin geen glimlach van passie of splinter vreugde in het drama van de comédie humaine voorkomt? Laat ze dat altijd mooie motief dat permanent snikt in de echo’s van de zee niet bederven en verstikken. Heb medelijden met de arme stakker! Het licht is gedempt. In het lokaal heerst volledige stilte. Op de driehoekige klok achterin is het twintig voor elf. Zomeravond. De gitaren omhelzen elkaar in goed wederzijds begrip. De zangeres is ziek; zo te zien althans. Ja: ze heeft een bronchitisgezicht. De sjaal vast om de borst; een zwarte sjaal met franjes. Ze zingt zonder stijl, zonder grammatica en zonder muziek. Nu houdt ze op om te hoesten. Enthousiaste geluiden ginds aan die vier tafeltjes. Het lokaal is bomvol. Niemand praat. Bedrukte stilte. Het lied gaat over een kind van zeven dat zijn vader en moeder verliest en slaapt op de trappen van de lift van Lavra. Het publiek is verrukt. En de handen barsten uit in een fel, sonoor, oneindig applaus. De zangeres glimlacht triomfantelijk, dominant. Ze trekt haar sjaal recht. Zegt iets tegen een van de gitaristen. Hoest. Knipoogt vanaf het podium naar een louche kerel aan een van de voorste tafeltjes. “Lied van de Onschuld”, vragen sommigen. “De medicijn die doodt”, roepen anderen. Zij belooft hen hun zin te geven en neemt de slecht en in bargoens vertaalde houding van een godin aan. Ze steekt haar borst vooruit. Tuit haar lippen. Strijkt door haar haren, en de instrumenten beginnen. De “verzen” gaan over de lente die de weilanden van Ribatejo vult met “madeliefjes en distels”. En ook over een stier die niet meer wild en onbesuisd was omdat ze zijn “koetje” hadden gedood. En er is een beekje dat “lijkbleek kronkelt”. En “wit, kuis” maanlicht; en er zijn “oude, peinzende rietvelden”. En er is de stompzinnigheid van de maker. En de stompzinnigheid van de zangeres. En de stompzinnigheid van het publiek, maar dit noemen ze: fado.

 

********

Op de kade speelt
Een viriele zeeman
Een warm verlangen op de gitaar;
En het dok,
Vol boten, masten en geluiden,
Trekt mijn diepste gevoelen aan
Gevangene van de hoogste en somberste vloed
Van verboden liefdes.

Ginder, —
Op het bovendek van de boeg
Van die boot daar vast
Aan andere even groot,
Omhelst een oude deerne
Een jongeman met pet
Terwijl anderen haar knijpen
In borsten en heupen
Opgewonden van geilheid
Die hen, stijf, omhult
Vol begeerte naar dat lijf
Getekend door het ongeluk…

Het ruikt naar syfilis, ruikt muf.

Er wordt gelachen, gevochten: — een lamp
Vastgebonden aan een roerstang
Werpt een zwak, wegstervend licht…

“Laat haar los, slappe lul!
Dat wijf is van mij!” —
Hoor ik zeggen. Een harmonium
Snikt een wals
Eentonig, ongelijk,
En ingevlochten in een klaaglijk
Motief van bij de zee.

Zuiver, helder, harder gaat de stilte van het maanlicht.

Ik bezat mij aan dat schijnsel.

Een fadista-achtige boy,
Vuil, blootsvoets en stevig,
— Een jaar of twintig, op z’n hoogst!
Zoekt in mijn ogen
Wellicht het instinct van de zonde
En blijft even naast me staan:
— Een vonk van ondeugd
Getemd in bordelen
Die de wellust improviseert
In een portiek of hoekje
Van een afgelegen straat,
Fonkelt en dooft vochtig
In het mysterie van zijn ogen
Die geconcentreerd blauwzwart zijn.

Hij begint een sigaret te draaien.
Vraagt mij vuur; en dan zie ik,
In heel zijn wezen de diepe aanwijzing
Dat hij verkocht en getemd is
Bij het vileine contact van een kus…

— “Ga je mee een eindje wandelen?”
En zijn stem verstikt
door een onverbloemde bedoeling,
Nam mij met hem mee…

Ik hoorde het lawaai niet meer
Van de begerige bemanning…,
En meegesleurd —
Door dat onbekende bemanningslid van mijn droom,
Denk ik aan het motief van dat waarachtige lied…

Er blaft een hond —
Naast een wachthuisje.

We lopen zwijgend.
— Hij iets voorop…

Ik steek een steeg over waar een fontein zingt.

We komen bij het huis aan.

De man hier bij me is mooi, zegt alles mij!

Maar met een glimlach van wie de werkelijkheid zag
En wil vluchten of sterven,
Stoot ik vol angst deze woorden uit:
— Het is al laat, vriend;
We stellen het uit tot een andere dag
Of tot een andere nacht.
Ik eindig kussend in een kamer,
Op iets dat lijkt op een vrouw.

 

antonio-botto 2

 

Uit: As Canções de António Botto, Livraria Bertrand, Lisboa 1940.
Vertaling Harrie Lemmens
Foto aan top: Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*